Recensie

‘Ze hield van applaus, bier, gelach en een fooi’

Post-communisme

Een Poolse journalist reist door Oost-Europa en de Balkan en beschrijft de lotgevallen van de Bulgaarse beren en hun eigenaren. Het levert schitterende verhalen op. ‘Ze zullen ons voor straf opnieuw laten verhongeren.’ (●●●●●)

Berentemmer Georgi zorgt met zijn geliefde beer Vela voor volksvermaak. Foto uit besproken boek

De beren hielden in 2007 op met dansen. Voorbij was ineens de tijd dat ze hun kunstjes op straat opvoerden. Ook mochten ze niet meer bij hun bazen wonen, die de tanden uit hun bek en een ring door hun neus sloegen om hun onderworpenheid compleet te maken. Bulgarije was toegetreden tot de EU en dansende beren waren ineens verboden. Door activisten van de Oostenrijkse dierenorganisatie Vier Voeters werden ze naar een speciaal park in de buurt van Sofia gebracht, waar ze in vrijheid verder mochten leven. Het bleek een behoorlijke misrekening, want veel beren wisten niet wat ze met hun vrijheid aan moesten.

De Poolse onderzoeksjournalist Witold Szablowski gebruikt hen daarom in zijn boek Dansende beren. Heimwee naar het communisme als metafoor voor allen die na de val van de Muur in 1989 de vrijheid verkregen, er niet mee overweg konden en vervielen in oude gewoontes uit de dagen van het communisme. Zo tekent hij uit de mond van een directeur van Vier Voeters op: ‘wie het grootste deel van zijn leven een gevangene was, maakt geen kans het in vrijheid te redden.’

Tijdens een journalistieke reis voert Szablowski je via het Cuba van de op sterven liggende Fidel Castro en een Poolse zwerfster op het Londense Victoria Station naar de post-communistische samenlevingen van Oost-Europa en de Balkan. Het levert voorbeeldige literaire non-fictie op. Szablowski laat iedereen die hij ontmoet in zijn waarde. Soms lijkt hij zelfs begrip te hebben voor hun krampachtige verlangen naar het verleden, waarin ze zich meer op hun gemak voelden dan in het kille kapitalisme waarin ze na de val van de Muur terechtkwamen.

Tractorbestuurder

De eerste helft van Dansende beren gaat over de lotgevallen van de Bulgaarse beren en hun eigenaren. Het levert schitterende verhalen op over de symbiose tussen mens en dier. Ronduit ontroerend zijn de herinneringen van berentemmer Georgi Mirtsjev Marinov aan zijn berin Vela. Met haar trad hij twintig jaar lang op, nadat hij in de jaren negentig zijn baan als tractorbestuurder op een kolchoz was kwijtgeraakt. ‘Ik heb van haar gehouden als van een familielid,’ zegt hij. ‘Ze had altijd brood in overvloed. De beste alcohol. Aardbeien. Chocola. Snoep. Als het moest, zou ik haar op mijn rug gedragen hebben.’

Marinov kocht Vela van de dierentuin in Sofia, waar haar moeder was afgemaakt nadat ze een dronken militair had aangevallen. Samen reisden ze per bus en trein naar Georgi’s dorp, als vader en dochter. Iedereen die ze tijdens die reis tegenkwamen deed even aardig. Ook Georgi’s vrouw behandelde Vela als haar kind.

Nog intiemer wordt het als Georgi vertelt hoe Vela mensen kon genezen door op hen te gaan liggen of hen met haar poten te masseren. Dan blijkt ook hoe afhankelijk Vela zelf van haar baas is. Ze wijst hem bijvoorbeeld met haar poot op haar bek als ze kiespijn heeft – anders dan andere berentemmers heeft Georgi haar tanden niet uitgeslagen. Trots als een vader zegt hij dan ook over haar optredens: ‘Gelukkig vond ze het zelf allemaal hartstikke leuk. Ze had de aanleg van een kunstenares, ze hield ervan als mensen klapten, als ze lachten, als ze ons een fooi gaven. Of als ze bier voor haar inschonken.’ Niet zo vreemd dus dat Georgi ervan overtuigd was dat Vela die optredens in het reservaat van Vier Voeters miste. Zoals Georgi en zijn vrouw Vela heel erg misten toen die bij hen werd weggehaald.

Na dit aangrijpende relaas behandelt Szablowski stapsgewijs de lotgevallen van de andere beren. Zo laat hij zien hoe wreed ze van hun eigenaren werden gescheiden en laat hij de directeur van Vier Voeters trots vertellen hoe gewiekst hij de zigeuners overhaalde hun beren aan hem te verkopen. Tussendoor dient hij je onvergetelijke scènes op uit de twintigste-eeuwse geschiedenis van Bulgarije, met name over het communistische regime van Todor Zjivkov.

In het tweede deel van dit bijzondere boek trekt Szablowski de wereld in. Zo bespreekt hij, reizend door Oekraïne, met iedereen die hij tegenkomt de kansen voor dat land om tot de EU toe te mogen treden. Het cynisme dat hij ontmoet is groot. ‘Poetin zal het nooit toestaan’, zegt de een. ‘Rusland zal ons voor straf opnieuw laten verhongeren, zoals ze dat in de jaren dertig ook hebben gedaan’, zegt de ander. En dan is er nog een pope, die beweert dat als Oekraïne EU-lid wordt de mensen God zullen vergeten omdat ze het dan beter krijgen: ‘En wie God vergeet, vergeet ook al heel snel de andere mensen.’

Al verder reizend raakt Szablowski aan de praat over het potentieel van Oekraïne als graanschuur van Europa en de stijgende prijs van sigaretten, mocht het land alsnog EU-lid worden. Het doet een oude sigarettenverkoopster in tranen uitbarsten en zeggen: ‘Dan kan ik net zo goed meteen mijn eigen graf graven.’

Witwaspraktijken

In Albanië bestudeert Szablowski de witwaspraktijken van de Italiaanse maffia en het vernietigen van de duizenden bunkers die onder de communistische dictator Enver Hoxha werden aangelegd om het land tegen buitenlandse vijanden te beschermen. Maar eigenlijk gaat het hem om het onverwerkte communistische verleden. De communisten, die duizenden mensen hebben vermoord en tienduizenden in opvoedingskampen hebben opgesloten, blijken er nooit ter verantwoording te zijn geroepen. Zelfs de bloeddorstige weduwe van Enver Hoxha kon een paar jaar geleden nog op de televisie in een lang interview zeggen dat ze nergens berouw van had. En iedereen pikte het. Uit angst of uit gewoonte, vraag je je dan af.

Als Szablowski Servië – in Belgrado loopt hij de toeristische Radovan Karadzic-route – en de voormalige Sovjet-republieken Estland en Georgië aandoet, merkt hij hoe sterk de trauma’s van het verleden nog doorwerken. De Esten beschouwen hun Russischtalige landgenoten, die er vaak het grootste deel van hun leven wonen en zich meer met Estland dan met Rusland identificeren, als bezetters. Ze discrimineren hen op alle fronten.

Op hun beurt zien veel Georgiërs Stalin als een voortreffelijk heerser, die niemand kwaad heeft gedaan. Zo praat een geschiedenislerares zijn misdaden goed: ‘De deportaties? Die waren noodzakelijk zodat mensen in vrede konden leven. De moorden? Daarvoor is niet hij verantwoordelijk maar Beria. De honger in Oekraïne? Dat was een natuurramp.’

Aan de hand van zulke uitspraken laat Szablowski zien hoe velen zich sinds het verdwijnen van het communisme verweesd voelen en hun weg niet kunnen vinden in het kapitalistische systeem dat ervoor in de plaats is gekomen. En daarmee verklaart hij tevens de chaos en instabiliteit in de post-communistische wereld.

    • Michel Krielaars