Recensie

Klassieker ‘Deesje’ is op de cruciale punten absoluut niet verouderd

Kinderboek Voor de smartphonegeneratie is het misschien moeilijk te geloven dat je in het leven verdwaald kunt raken, zoals Deesje. Maar verder is het boek waarmee Joke van Leeuwen in 1986 de Gouden Griffel won nauwelijks gedateerd geworden.

‘Het is een verhaal in woord en beeld dat psychologische goed aansluit bij wat kinderen dromen en vrezen.’ Dat schreef de Griffeljury in 1986 over het met goud bekroonde Deesje van Joke van Leeuwen die dit jaar viert dat ze veertig jaar schrijft en illustreert voor jong en oud. Een herdruk van het inmiddels drieëndertig jaar oude kinderboek, dat eveneens een Zilveren Penseel kreeg, kon in dit jubileumjaar dan ook niet uitblijven. Maar in hoeverre geldt de vaststelling van de Griffeljury nog anno 2018?

Bij herlezing van het verhaal over Deesje die net zo bedeesd is als haar naam suggereert en het liefst op haar kamertje in haar ‘Wieweetwatwaarboek’ leest, valt meteen op hoe Van Leeuwen de werkelijkheid tot een bron voor verwondering maakt. Op zich is Deesje een heel gewoon meisje met piekhaar. En aan het feit dat ze op advies van een in ‘de kinderkunde’ gespecialiseerde mevrouw door haar vader met de trein naar ‘halftante’ wordt gestuurd, omdat daar leeftijdgenootjes zijn, is ook helemaal niets geks. Sterker nog, gewoner kan je het bijna niet verzinnen. Tegelijkertijd geeft de onbevangen kinderblik waarmee Van Leeuwen haar kleine heldin de wereld laat aanschouwen, je doorlopend een gevoel van vervreemding.

Zonderlinge avonturen

Vanaf het moment dat het zwijgzame meisje zich aan de vooravond van haar vertrek realiseert dat ze helemaal alleen op reis moet naar ‘vreemde mensen,’ roept ze dat op. De fijn gearceerde, detaillistische zwart-wit illustraties met honden als monsters zo groot vergroten haar angst voor het onbekende effectief. In combinatie met van Leeuwens immer heldere, maar ontregelende taalgebruik creëren ze een unheimische sfeer die alles wat zo gewoon lijkt naar het fantastische doet neigen.

Eenmaal daadwerkelijk onderweg naar halftante wordt dat niet minder. Als Deesje op het station arriveert en haar halftante tussen de ‘muur van jassen’ onvindbaar blijkt, en ze bovendien het papiertje met tante’s adres is verloren, verzeilt ze in een opeenstapeling van onverwachte, zonderlinge avonturen. Ze komt per vergissing in een schoolbus terecht, op weg naar de finale van een opstelwedstrijd, dwaalt door de stad van het Escherhuis, tot de Trotse Toren, en valt in een afgedankte leunstoel op straat in slaap waarna meneer Hekkensluiter, Tina Teen en meneer Paprika zich over haar ontfermen.

De werkelijkheid van waaruit Van Leeuwen vertrekt is natuurlijk die van de jaren tachtig. De smartphone-generatie zal misschien moeite hebben te geloven dat je in het leven verdwaald kan raken omdat je een papiertje met een adres kwijt bent. Ook zullen ze zich vast moeilijk iets bij het hoofdstuk ‘Telefoon’ kunnen voorstellen. Want hoezo heeft Deesje geld nodig om te kunnen bellen als ze op het station bij de afdeling ‘Levend en Wel’ is gearriveerd? En hoe werken die ouderwetse munttelefoons met hoorns eigenlijk? Maar dat onze werkelijkheid niet overeenkomt met de verhaalwerkelijkheid maakt uiteindelijk niets uit. Het karakteriseert Van Leeuwens kinderboeken juist, die je rustig magisch-realistisch kan noemen. De kracht van Deesje zit hem bovendien niet zozeer in de wonderlijke lotgevallen als wel in de levensechtheid van het meisje.

Warm plekje

Door haar is het boek een klassieker geworden. Dat meneer Paprika zijn naam aan zijn beroep als papierprikker ontleent, is leuk gevonden. Net als de wijsheden die op zijn papiertjes staan (zoals, ‘ik wou dat het gisteren was/ dan had ik morgen/ vandaag nog), of de schetsen van Beethoven, Erasmus en heer Prikkebeen tussen de mensenmenigte op het station waar Deesje aankomt. Maar het is en blijft niet meer dan speelse humor. Die zou niet beklijven zonder alle rampspoed die Deesje over zichzelf afroept door wie ze is. Haar verlegenheid belemmert haar te zeggen wat ze denkt. Tegelijkertijd zit ze niet bij de pakken neer. Dat resulteert in onvergetelijke scènes. Bijvoorbeeld wanneer Deesje bij het invallen van de schemer vergeefs een warm plekje zoekt en in haar eenzaamheid zo dicht mogelijk bij zichzelf kruipt. Deesje ontroert. Ze heeft een hart vol verlangens en hoofd vol dromen. En dat is herkenbaar voor alle mensen van alle tijden.

    • Mirjam Noorduijn