Hester zit 300 dagen in de gevangenis omdat ze haar schuld niet kan betalen

Betalingsonmacht Wie een rechterlijk opgelegde schadevergoeding niet kan betalen, komt in de gevangenis. De schuld blijft staan. Wie heeft daar baat bij?

Illustratie Tja Ling

Hester (50) kijkt naar de klok. Een half uurtje nog, dan is het bezoekuur van de penitentiaire inrichting Ter Peel voorbij. Haar vriend had er al lang moeten zijn. „Er zal hem toch niets zijn overkomen?” vraagt ze zonder een antwoord te verwachten.

Hester – hese stem, kort blond haar, grijs T-shirt met tijgerprint – zit elf dagen vast. Nog 289 te gaan. Vorig jaar is ze veroordeeld voor diefstal. Haar ex-man, met wie ze bijna veertien jaar getrouwd was, en zij hebben zijn oma 54.694,49 euro afhandig gemaakt. De twee hadden de beschikking over haar pinpas en hebben de rekening geplunderd. Hester claimt dat hij het heeft gedaan. Maar de rechter ging daar niet in mee. Het geld is weg. Uitgegeven aan vakanties. En aan de affaires die hij erop na hield, zegt Hester, die haar achternaam om privacyredenen niet in de krant wil.

Ze is woedend. Op haar ex-man en zijn nieuwe vriendin om te beginnen. Hester vertelt dat ze „de hele boel kort en klein” heeft geslagen toen ze hen betrapte. Vervolgens stortte ze in, belandde zelfs een paar weken in het ziekenhuis na een zelfmoordpoging met koelvloeistof. Maar dat is alweer even geleden. Nu is ze vooral boos omdat ze in de gevangenis zit. „Zo verschrikkelijk oneerlijk” vindt ze dat. En zinloos bovendien.

Hester zit geen gewone straf uit. Net als ruim tweeduizend anderen zit ze in ‘vervangende hechtenis’ als gevolg van een schadevergoedingsmaatregel. Dat komt zo: zij en haar ex-man kregen beiden een taakstraf opgelegd van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand. Daarnaast stelde de rechter de twee hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag dat ze van zijn oma hadden gestolen.

Hester moest dus, net als haar ex-man, bijna 55.000 euro terugbetalen, „bij gebreke (…) te vervangen door 300 dagen hechtenis”, zo staat te lezen in het vonnis. Ofwel: betaalt ze niet of niet op tijd, dan gaat ze bijna een jaar de gevangenis in.

Dat klinkt als een zware sanctie, maar daar staat tegenover dat de financiële schade voor het slachtoffer óók aanzienlijk is. Er is alleen iets vreemds aan de hand met die vervangende hechtenis, die standaard aan schadevergoedingsmaatregelen is gekoppeld. Anders dan de term suggereert, vervangt de hechtenis niets. De schuld van Hester staat er nog als ze over tien maanden vrijkomt. Sterker, die is vanwege wanbetaling al vóór de hechtenis opgelopen tot bijna 67.000 euro.

Kale kip

Dat Hester niet zou betalen, kon iedereen voorzien. Ook het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), dat dit soort schadevergoedingen int voor slachtoffers. Ze heeft namelijk geen geld, en de kans dat daar snel iets aan verandert lijkt nihil.

Hester – ooit werkzaam als schoonmaakster, later in de uitvaartbranche – is volledig afgekeurd. Ze leeft van een WIA-uitkering en krijgt, inclusief toeslagen, netto 1.137,85 euro binnen. Daarop ligt gedeeltelijk beslag van de Stichting WonenBreburg, een Brabantse woningcorporatie, vanwege een huurschuld uit de tijd dat haar ex-man net was vertrokken. De financiële nood was zo hoog dat een maatschappelijk werker vorig jaar alarm sloeg. Sindsdien voert bewindvoerder Marco Lindhout op last van de kantonrechter de regie over Hesters financiën.

Samen met haar advocaat, Theo ten Velde, heeft Lindhout de afgelopen maanden geprobeerd Hester uit de gevangenis te houden. Vervangende hechtenis is immers bedoeld als drukmiddel, een stok achter de deur om moedwillige wanbetalers te dwingen schadevergoedingen te voldoen. Daarvan is bij Hester geen sprake. Zij kán simpelweg niet betalen, concludeerde de bewindvoerder na analyse van Hesters inkomsten en uitgaven.

Volgens de bewindvoerder kon Hester, toen ze nog haar uitkering kreeg, maximaal 25 euro per maand missen.

Wie, vroegen Lindhout en Ten Velde zich af, is er dan bij gebaat dat zij tien maanden de cel ingaat? Het slachtoffer van de diefstal niet. Als Hester vastzit, ontvangt ze niets, zelfs geen uitkering. Daardoor komt een eventuele afbetalingsregeling stil te liggen. Ook de samenleving niet, zegt Ten Velde, die op basis van cijfers van de Raad van Europa uitrekende dat 300 dagen hechtenis de staat zo’n 65.000 euro kost – méér dus dan het bedrag dat het slachtoffer tegoed heeft. En Hester? Die raakt in hechtenis haar huurwoning kwijt en heeft er straks nog een probleem bij.

Bewindvoerder en advocaat drongen bij het CJIB aan op een betalingsregeling. Ze dreigden zelfs met een kort geding als die niet tot stand kwam. De incassodienst kwam in beweging. Het CJIB stelde voor de aflossing uit te smeren over vijftien jaar, de verjaringstermijn, wat zou neerkomen op 377,28 euro per maand. Een geweldige verbetering natuurlijk, zegt Lindhout, maar nog altijd veel te veel voor Hester. Volgens de bewindvoerder kon zij, toen ze nog haar uitkering kreeg, maximaal 25 euro per maand missen.

Politiebusje

Zo liepen de gesprekken spaak. Hester, die intussen een eenkamerappartement had betrokken in Goirle en af en toe als vrijwilliger bijsprong in een verzorgingshuis, wist wat dat betekende. Binnenkort zou een politiebusje voorrijden om haar mee te nemen.

Waarom geen kort geding aangespannen, zoals ze had gedreigd? Advocaat Ten Velde vertelt dat ze de procedure in overleg met de bewindvoerder op het laatste moment hebben ingetrokken om de simpele reden dat Hester vrijwel zeker had verloren. De proceskosten zouden in dat geval voor háár rekening komen, een onaanvaardbaar risico volgens Ten Velde, die zijn cliënt kosteloos bijstaat.

Een zoektocht in het digitale archief van de rechtspraak geeft hem gelijk. Iedere zoveel maanden maakt iemand bij het gerechtshof in Den Haag tevergeefs bezwaar tegen de vervangende hechtenis die hem of haar boven het hoofd hangt. De verhalen verschillen op details – grond voor de veroordeling, hoogte van het bedrag dat moet worden terugbetaald – maar in hoofdlijnen lijken ze vrijwel allemaal op elkaar. Het zijn de verhalen van mensen die zeggen dat ze wel wíllen terugbetalen, maar niet kúnnen.

Maar met betalingsonmacht, zoals de juridische term luidt, kan de rechter geen rekening houden. Hoe schrijnend de situatie ook is. De schade moet worden vergoed. Lukt dat niet of niet op tijd, dan wacht de gevangenis. Zo is de wet. Zelfs de vraag of iemand iets te verwijten valt, doet niet ter zake.

„Het karakter van de maatregel brengt met zich mee dat deze niet (…) gerelateerd behoeft te worden aan de ernst van het feit, de verwijtbaarheid van het gedrag en de draagkracht van de verdachte”, oordeelde de Hoge Raad in 2008, in een zaak van een man die voor zijn ernstig zieke dochtertje moest zorgen en zowel baan als huis zou verliezen als hij de gevangenis in moest. „Het antwoord op de vraag [...] of de rechter de schadevergoedingsmaatregel mag matigen op grond van de draagkracht van de dader, luidt ontkennend. De maatregel is namelijk gericht op het herstel van de rechtmatige toestand.”

Soms verwijzen kortgedingrechters in vonnissen naar de „ruime beleidsvrijheid” van het CJIB. Die is in 2017 nog verruimd door minister Sander Dekker (Rechtsbescherming, VVD), om de kans op volledige inning van het schadebedrag te vergroten zonder dat „uitzichtloze schuldensituaties” ontstaan. Ruim is echter nog altijd een relatief begrip, blijkt uit een gesprek met de zegsvrouw van de incassodienst.

Het CJIB is – begrijpelijk vanuit het perspectief van het slachtoffer – verplicht het uitstaande bedrag volledig te innen én de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen in geval van wanbetaling. De incasso-instelling kan wel betalingsregelingen treffen, maar ze is daarbij in principe gehouden aan een betalingstermijn van maximaal 72 maanden. Alleen bij hoge uitzondering, zoals in Hesters geval, mag het CJIB de termijn tegenwoordig oprekken naar het moment van verjaren.

Lees ook: Schuldhulp: soms is een budgetcoach voldoende

Dat bleek voor Hester niet genoeg. En niet alleen voor haar. In 2017 zaten 2.102 mensen een vervangende hechtenis uit omdat ze een schadevergoeding niet hadden voldaan, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Dat komt neer op ruim 15 procent van de gevallen waarin een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, een percentage dat door de jaren heen redelijk stabiel is gebleken. Hoe vaak geldgebrek de oorzaak is voor wanbetaling, is niet duidelijk.

Hij was verdwaald

Hester veert op. Haar vriend stapt het vrijwel verlaten bezoekerslokaaltje binnen. Net als zij heeft hij een WIA-uitkering, ze hebben elkaar kort geleden leren kennen bij het vrijwilligerswerk in het verzorgingstehuis. Hij was verdwaald, zegt hij, daarom is hij zo laat. „Geeft niet”, zegt Hester.

Ze hebben nog tien minuten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Joris Kooiman