Recensie

Vergeet Hendrik Groen, lees Hans Dorrestijn! (●●●●●)

Hans Dorrestijn

De ouderdom dient zich aan. Reden genoeg om te mopperen, maar ook te relativeren, en dat doet cabaretier Dorrestijn wel zeer vermakelijk in zijn boek Het rimpelperspectief.

Hans Dorrestijn tijdens het Amsterdams Kleinkunstfestival. Foto: Jaap Reedijk

De meeste bejaarden, aldus Hans Dorrestijn, scharrelen maar wat rond. Ze kijken uit het raam, ze wachten op de dood, ze onderdrukken een vreugdekreetje als het lukt met hun pinpas af te rekenen bij de supermarkt. Verder is er nog maar weinig vrolijks in hun leven. Toch schreef hij zelf, op zijn achtenzeventigste, nog een opmerkelijk blijmoedig nieuw boek, getiteld Het rimpelperspectief. Of nieuw? Er is nog maar weinig écht nieuw wanneer je zo oud bent, betoogt hij, en anders wil je er maar weinig van weten: ‘Alles waar jonge mensen zich vol overgave op storten, daar proeven oude vrouwen en oude mannen peinzend van.’

Vergeet Hendrik Groen; lees Dorrestijn! Wat is dit een vermakelijk boek. Het is mooi geschreven, in een verzorgd-ironische stijl: ‘Mijn dorre lippen prevelen: “Waar moet dit in godsnaam eindigen? Dit kan niet goed gaan”.’ Het boek heeft vijf prologen, wat niet verklaard wordt, maar de veronderstelling is dat Dorrestijn zó oud is dat hij telkens vergat dat er al een proloog was. Hij blinkt uit in zelfspot. Oude mensen denken dat ze fatsoenlijk zijn, betoogt hij bijvoorbeeld, maar dat komt alleen maar ‘door de verzwakking van hun hormonen’: ‘Ikzelf vond vroeger alle Dolly Dots geil, en nou nog maar eentje. En ik weet niet eens precies wie van de vijf. Of zes?’

In Het rimpelperspectief moppert Dorrestijn wat af, maar het is altijd lichtvoetig, en er gaat ook veel naar behoren: ‘Ik sta ’s morgens op, trek mijn sokken aan. Meteen goed! Ik bedoel: meteen de goede sok aan de juiste voet.’ Hoe kijkt een ‘bijna tachtigjarige cabaretier met een baardje en een tikmachine’ aan tegen het leven? Dit boek is vooral een zelfportret; wie Dorrestijn nog niet kent, van zijn theatershows, zijn liedjes, de tv of eerdere boeken zoals Dorrestijns Vogelgids en Dudeljo! kan nu alsnog instappen.

Goudhaantje

Hans Dorrestijn schrijft stukjes over het thema Hans Dorrestijn. Hij vertelt van alles over zichzelf-op-leeftijd, of eigenlijk gewoon over zichzelf. Over zijn voor- en afkeuren, zoals dat hij van kleine dingen doorgaans meer onder de indruk is dan van grote. Hij ziet liever een goudhaantje dan een piramide. Hier en daar voert hij oude bekenden uit zijn oeuvre op, zoals ‘de Boze Stiefvader’ of de poetsende ex-echtgenote (een sterk tijdsbeeld: naast hun bed lag het tijdschrift Opzij opengeslagen bij een artikel met als kop: ‘Vrijen met een man, kan dat?’).

In sommige stukjes in Het rimpelperspectief protesteert hij met verve tegen eigentijdse fenomenen als kunstijsbanen, pisbakken die vanzelf doorspoelen en mager vlees. Andere eigentijdse ellende: er bestaat geen scheerzeep in staafjesvorm meer, en ‘stiletto’s, turkse kromzwaarden, vlindermessen’ zijn eenvoudiger te kopen dan scheermesjes. En: ‘waar je ook niet vrolijk van wordt, is de zin: “Waar je ook niet vrolijk van wordt”.’

Verrassing is in Dorrestijns werk het grootste goed, naast kolder, overdrijving en slapstick. Dit boek doet je regelmatig gnuiven of hardop lachen. Hij buigt clichés om. Zo staat er in Het rimpelperspectief een stukje over geraniums, en hoe dringend die uit vensterbanken moeten ophoepelen. Ze ontnemen de bejaarde het onbekommerd uitzicht op de straat, waar juist van alles gebeurt wat erom schreeuwt opgemerkt te worden: ‘een op een standaard gezette fiets die omvalt in een windvlaag, het buurmeisje dat hinkelt, de eenzame bruine kliko die al twee dagen wacht op zijn eigenaar, de postbode die een huis overslaat, het zijne’.

Reusachtige herdershond

Dikwijls spreekt Dorrestijn de lezer direct aan. Als hij een jeugdherinnering ophaalt over een reusachtige herdershond die ‘door de lucht vloog’ en bovenop hem landde, staat er: ‘nu denken jullie natuurlijk allemaal: wat leuk voor dat jongetje’. Die vorm werkt. Vondsten zijn ook vaak zijn terloopse woordspelingen: ‘Ik ben nu niet meer lenig, zoals vroeger. Ik kan geen ringetje meer maken in de zwanen, of zoiets.’

Wat deugt er in Dorrestijns universum? Vogels natuurlijk, en aardappels, zijn lievelingskostje. En de doden. Vooral over Harry Bannink schrijft hij liefdevol, uitvoerig, oprecht en teder. Ook voor Joost Zwagerman heeft hij lieve woorden over. Achterin het boek staat bovendien nog een ‘dodenlijst’ met stukjes over andere dierbare doden, zoals Gerrit Komrij en Peter van Straaten.

Er staan ook versjes in Het rimpelperspectief, of misschien zijn het liedjes. Daarin raadt de oude schrijver ons: ‘Al lijkt hij louter zonneschijn/ Blijf uit de buurt van Dorrestijn’. Daar is niks van waar: lees fluks dit boek, of vraag het met sinterklaas, in je pantoffel.

    • Judith Eiselin