Foto Frank Ruiter

‘Eerst een goed mens worden, dán een kind’

Lunchinterview Hanneke Hendrix (38) schrijft in haar derde roman onder meer over vruchtbaarheidsbehandelingen, die ze zelf ook onderging .„Kinderloosheid is ongeoorloofd verdriet. Je mist iets wat er niet is.”

Wat hebben carnaval, mantelzorg en een fertiliteitstraject met elkaar te maken? Helemaal niks, behalve dat het de ingrediënten zijn van het boek Aswoensdag van Hanneke Hendrix (38). Ze schrijft hoorspelen, columns (voor tijdschrift &C) en dit is haar derde roman. Hoe verzonnen en fictief een roman ook mag zijn, soms kiert er iets tussen de regels door waarvan je denkt: dit moet ‘echt’ zijn. Deze emotie, dit gevoel, dit verdriet is zo scherp verwoord, dit zal de schrijver dan toch wel zelf hebben ondervonden?

Hanneke Hendrix’ hoofdpersoon is een vrouw van in de dertig, die ineens de zorg op zich moet nemen voor haar dementerende moeder, ook al is hun moeder-dochterband al jaren eerder verbroken. Is dat het ‘uit het leven gegrepen’ thema? Nee. Hendrix heeft geen moeder met alzheimer – wel een vader met beginnende dementie trouwens – en hun relatie is uitstekend.

Aswoensdag speelt zich af in Limburg, en daar begint het boek in de buurt te komen van Hendrix’ eigen leven. Kijk maar waar ze met me wil afspreken: in het ‘schönste biercafé’ van Venlo, in een steegje tegenover de Dominicuskerk, dat wordt uitgebaat door een vriendin die ze al vanaf haar vierde kent. Donkerbruine, houten lambrisering, daarop heiligenbeeldjes in miniatuur, houtkachel en een dagspecialiteit die Hendrix likkebaardend bestelt: karboet. Limburgse balkenbrij, gemaakt van in bouillon gekookt slachtafval van het varken, aangelengd met meel en bloed.

Het gerecht brengt haar in één klap terug naar haar jeugd, zegt ze. Ze woonde toen in Grubbenvorst, een klein Limburgs kerkdorp. En als ze tussen de middag uit school naar huis ging om te eten, bakte haar vader, kok van beroep, speciaal voor haar bloedworst. Of wentelteefjes. Of ze kreeg dus zo’n dikke plak donkerbruine karboet. Zij was het nakomertje, haar broers zijn vijf en tien jaar ouder.

„Ik ben een dorpsmeisje”, zegt ze. In de loop van haar leven is ze heus wel uitgevlogen, net zoals de hoofdpersoon van haar boek. Ze heeft twintig jaar in Nijmegen gewoond, en ook even in Nieuw-Zeeland en Spanje. Ze houdt van de reuring van de stad, is dol op uitgaan en vertier en wordt graag geplet in de massa op een feest of festival. Maar, zegt ze, ze houdt er ook van iedereen om zich heen te kennen. „Ik hecht me aan mensen.” Dus is ze weer in een gehucht gaan wonen, net onder Nijmegen, met haar man en dochter van 2.

Medische hulp

Waar het ‘echte leven’ van de pagina’s spat, is waar het gaat over wat er niet is. Of wat er nóg niet is. Een kind. Hendrix’ personage is getrouwd, maar heeft geen kinderen. Ze wil dat wel, maar het lukt niet vanzelf. Dus zit ze in een ‘fertiliteitstraject’. Met medische hulp probeert ze zwanger te worden. En hoe akelig dat kan zijn, beschrijft Hendrix met zoveel precisie dat ze het bijna niet verzonnen kan hebben. De dagelijkse gang naar het ziekenhuis, waar ze ’s ochtends vroeg met haar benen wijd in beugels ligt en er een pook wordt ingebracht om een inwendige echo te maken van haar eifollikels. De hormoonpillen, de injecties, de vaginaal in te brengen capsules die de innesteling moeten bevorderen. En ja, dat is inderdaad precies wat Hendrix zelf aan den lijve heeft ondervonden. In de vier jaar die ze aan het boek werkte, was ze er drie bezig met IUI. Dat is de meest toegepaste vruchtbaarheidsbehandeling, waarbij de eisprong met hormonen wordt opgewekt, waarna bewerkte zaadcellen worden geïnsemineerd. Na zeven keer raakte ze in verwachting van Alma. „Tijdens het schrijven heb ik even overwogen om te beschrijven hoe zo’n traject voor een man is die vader wil worden. Want dat is een kant van het verhaal die je helemaal nooit hoort.” Maar? „Ik besloot het dichter bij huis te houden. Mijn perspectief. Dit is de shit die erbij komt kijken.”

Een kinderwens is, zegt zij, net zo dwingend als honger of verliefdheid. „Het staat helemaal los van of je kinderen leuk vindt of niet. Je kunt een hekel hebben aan mensen en toch een kind willen.” Als het niet vanzelf lukt, ook niet met ingrepen van buitenaf, dan voelt dat als een diep verdriet. „Maar het is een ongeoorloofd verdriet. Je mist iets wat er niet is. Zoals een puber die nog nooit een relatie heeft gehad, maar toch ontroostbaar is om de liefde die uitblijft.” Waarom ongeoorloofd verdriet? Ze schudt, in één adem door, alle argumenten uit haar mouw. „Het leven is niet máákbaar. Je moest eens niet zoveel willen. Er zal wel een reden zijn waarom het niet lukt, dus leg je er maar bij neer.” Een kinderwens heeft, zegt ze, ook iets decadents. „Alles hebben, en dan grienen om dat ene dat ontbreekt. Zelf vond ik ook dat ik eerst een goed mens moest worden, voor ik een kind verdiende.” Ze lacht. „Maar hé, bij een kinderwens komt weinig ratio kijken.”

Hoop hoef je niet aan te zwengelen

Schrijnender nog dan het lichamelijk ongemak zijn de akelige ruzies van het stel in het boek. De twijfel, de teleurstelling, de schaamte en de verwijten over en weer. Wie van de twee is de onvruchtbare, wie is de schuldige? Snapt hij wel hoe erg zij lijdt? Hij heeft lekker makkelijk praten, aan haar lichaam wordt geknutseld, niet aan het zijne. Blijven ze wel samen als het niet lukt? Langzaam maar zeker maakt het stel kapot waarmee het ooit allemaal begon. „De liefde voor elkaar, en de wens om die liefde door te geven.”

Die ruzies zijn dan weer wel verzonnen. Zij verloofde zich tussen de zwangerschapspogingen door. „Ik twijfel altijd over alles, maar niet over mijn man. Tot ik hem ontmoette, dacht ik nooit aan kinderen. Met hem wilde ik er meteen tien. Maar zelfs als het er nul zouden worden, wilde ik hem.” Met zeker zes of zeven kinderwensende stellen in haar directe omgeving weet ze dat relaties kapot kunnen gaan aan de medische molen, zelfs als er – eindelijk – een kind is.

Fertiliteitsproblemen-Dooddoener-Bingo

Iedere schrijver wil iets dringends beweren, zegt Hanneke Hendrix. Haar thema in elk boek: „Het onvermogen om elkaar helemaal te begrijpen.” Ongewenste kinderloosheid is zo’n onderwerp dat lang niet alle mensen echt begrijpen, ook al denken ze soms van wel. Zij heeft daarvoor ooit de Fertiliteitsproblemen-Dooddoener-Bingokaart bedacht, een overzicht van alle opmerkingen, vaak „met de beste bedoelingen”, die verkeerd kunnen vallen. ‘Je moet het gewoon even loslaten’, is zo’n opmerking. „Neehee, lekker aan vasthouden, aan die wens, zeg ik. Blijf hopen, gun jezelf dat.” Of, nog eentje: ‘Het lukt bij jullie heus nog wel. Dat vóél ik’. „Hoop is alles wat je hebt, dat hoeft niemand aan te zwengelen.” Ze zou zo een „handleidinkje omgaan met onvruchtbaarheid” kunnen schrijven. „Ik zou willen dat je de vraag ‘Heb je kinderen?’ gewoon kon beantwoorden met: ‘Ik heb ze niet, maar ik wil ze wel.’ Dat mensen tegen hun collega’s durven zeggen dat ze wekenlang elke ochtend naar het ziekenhuis moeten.”

Gezamenlijke hobby

Ze heeft haar bord vol karboet, plakjes bloedworst en gebakken appel voor zeker driekwart leeg gegeten. Ze kán niet meer, zegt ze. Ik vraag of kinderloos zijn vroeger makkelijker was, toen er nog geen medische mogelijkheden waren. „Toen werd er in stilte achter de voordeur geleden.” Groot voordeel van in Limburg wonen is dat ieder daar eens per jaar z’n verdriet kan uitbrullen op vastelaovend, zoals carnaval op z’n Limburgs heet. Met polonaise en flauwe carnavalskrakers heeft het feest daar niks te maken.

„Er is een onderscheid tussen Brabants en Rijnlands carnaval zoals wij dat vieren.” Mensen met kindse ouders, mensen zonder kinderen, iedereen met welk verdriet ook, vindt elkaar die dagen in het levenslied, zoals gezongen door Sjraar (Gerard) Peetjens. „Ik bin zoë eenzaam, ik veul mich zoë verlaote.” Zo’n prachtig lied, zucht ze. „En daarna ga je samen friet eten op het plein en na een kwartier sta je met wildvreemden te bespreken waarover je zelfs met je geliefde niet praat.” Carnaval als uitlaatklep.

Lees ook: Hoe mannen het vinden als ze geen vader (kunnen) worden

De eigenaar van café de Klep, echtgenoot van Hendrix’ jeugdvriendin, komt hun nieuwe baby showen. Een meisje van zes weken, ze is het vijfde kind. Hendrix knijpt zachtjes in een mollig beentje. Ja, zegt ze, er is honger naar een tweede kind. Vooral bij haar man. „Hij wilde van jongs af aan al kinderen.” Zij wil ook best, maar als het niet lukt: even goede vrienden. Heeft ze meer tijd om te schrijven. Ze piekert er alleen niet over weer te beginnen aan zo’n medisch traject. „Maar misschien denk ik er over een jaar wel anders over.” Ze kent een stel dat drie kinderen kreeg via ivf. „Die zeiden: je moet die behandeling gewoon zien als een gezamenlijke hobby.” Vooralsnog laat ze het over aan de natuur. „Deo volente.”

    • Rinskje Koelewijn