Brieven

Brieven

Het Openbaar Ministerie gaat een verpleeghuisarts vervolgen die op basis van een schriftelijke wilsverklaring euthanasie had uitgevoerd bij een wilsonbekwame vrouw in een gevorderd stadium van dementie. Volgens het artikel hierover, Eerste strafvervolging van een arts om euthanasie. Wat nu? (12/11), moet „de arts in zo’n geval waar kunnen maken ervan overtuigd te zijn dat de betrokkene nog steeds écht dood wil.”

Dit is onjuist. De artsenorganisatie KNMG neemt wel het standpunt in dat er nog sprake moet zijn van waarneembare verbale of non-verbale tekenen van een doodswens, maar zegt er meteen bij dat die eis ‘strenger is dan de wet’. En inderdaad, in 2014 heeft een ambtelijke werkgroep van het ministerie van Volksgezondheid het debat geanalyseerd dat bij de parlementaire behandeling van de euthanasiewet over de wilsverklaring is gevoerd, en daarbij vastgesteld dat de wetgever de eis van een actuele doodswil niet heeft willen stellen. Wat de wetgever alleen uitsloot is de uitvoering van een euthanasie bij een wilsonbekwame patiënt die duidelijk aangeeft die euthanasie níet te willen. Met patiënten is in dit stadium echter in het algemeen geen gesprek over euthanasie meer mogelijk, en als zij daar nog iets over lijken te zeggen zijn zij daar meestal niet helder en consistent in. Dat was ook het geval bij de patiënte van de nu vervolgde verpleeghuisarts. Het Regionale Tuchtcollege in Den Haag dat dezelfde zaak al beoordeeld heeft, heeft de arts verweten dat zij, toen zij eenmaal besloten had de euthanasie uit te voeren, dat plan niet aan patiënte heeft voorgelegd. Maar het college zei niet dat de euthanasie alleen had kunnen doorgaan als de patiënte op die mededeling met instemming had gereageerd.


Emeritus hoogleraar ethiek (UvA)
    • Govert den Hartogh