Typisch Nederlands erfgoed, gered door toeristen

Klompenfabriek Miljoenen toeristen erbij in 2030? Goed nieuws voor de Nederlandse klomp, die zo blijft bestaan. „Je draagt ze niet naar de kerk, hè?”

Bij Nijhuis in Beltrum werken dertig mensen. De productie van de klompen is waar mogelijk geautomatiseerd. Foto Bram Petraeus

Steek dat klompenkeetje toch in de fik, dacht Paul Nijhuis als zijn vader hem weer eens naar binnen riep. Was hij met zijn vrienden op straat aan het spelen, moest ie aan het werk.

Klompen verven.

Dus toen hij in 1975 het bedrijfje van zijn vader in Beltrum overnam, had Nijhuis niet bijster veel zin om de klompenhandel in te gaan. „Ik was opgeleid tot techneut, wat moest ik met dat keetje?”

Nu, 43 jaar later is de kans groot dat bij de gemiddelde souvenirwinkel in Nederland wel een hebbedingetje van Nijhuis ligt. Traditionele klompen, klompsleutelhangers, klompflessenopeners, klomppantoffels en het absolute succesnummer: de houten tulpen.

Logisch: er komen steeds meer toeristen naar Nederland, dus neemt de vraag naar souvenirs ook toe. De laatste tien jaar steeg het aantal toeristen van 11 miljoen naar 18 miljoen. Het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen voorspelde onlangs dat dit aantal blijft stijgen, naar zo’n 29 miljoen in 2030.

Dat leidde tot het nodige gemor. Niet nog meer Nutella in Amsterdam. Niet nog meer drukte in Giethoorn. Niet nog meer vluchten naar Schiphol – of Lelystad.

Lees ook: Pissend, lallend, zingend door hartje Amsterdam

Voor Nijhuis zijn die toeristen juist de redding voor een typisch stukje Nederlands erfgoed. Klompen waren na de Tweede Wereldoorlog nog de normaalste zaak van de wereld. Maar geleidelijk werd het houten schoeisel door de opkomst van leren schoenen een symbool van armoede. „Jonge boeren zie je tegenwoordig niet zo vaak meer op klompen. Je draagt ze niet naar de kerk, hè?”

Nee, dan de toeristen. „Zij hebben nog wel waardering voor de klomp.”

Lagelonenlanden

Sinds Nijhuis het keetje van zijn vader overnam, is er dan ook veel veranderd. Maakten ze in 1975 alles nog met de hand, nu is Klompenfabriek Nijhuis in het Gelderse Beltrum volledig geautomatiseerd om te kunnen concurreren met lagelonenlanden.

Op de binnenplaats ligt een enorme stapel populierenstammen. Die worden in een hal onder een automatische kettingzaag in blokken verdeeld. Een lopende band voert ze, gezaagde kant naar boven, onder een pers die het hout in stukken uit elkaar drukt. En dan gaat het verder, via een andere transportband, naar de hal ernaast, waar de blokken automatisch gefreesd en uitgehold worden tot ‘draagklompen’.

Terwijl het zaagsel tegen Nijhuis opvliegt, opent hij een kastje naast een van de freesmachines: „Kijk, een van de eerste computers!”, roept hij boven het kabaal uit. „Hoezo zijn klompen oubollig? Dit is hartstikke hi-tech! Al deze machines hebben wij zelf ontwikkeld.”

Terwijl het aantal klompendragers daalde, groeide voor Nijhuis het belang van de souvenirmarkt. Dat ging pas echt hard toen eind jaren negentig de budgetluchtvaart opkwam. Daarvoor was wel een aanpassing nodig. Weliswaar reisden méér mensen naar Nederland, ze bezuinigden op hun bagage. Neem dan nog maar eens een paar zware klompen mee in dat rolkoffertje. Nijhuis wist daar wat op: de softclog, een pantoffel in de vorm van een klomp. „Hup, kan zó in de handbagage.”

Vijf jaar geleden hadden ze weer een heldere ingeving. Bij de productie van de souvenirklompjes bleef altijd een stuk hout over. Zonde om weg te gooien – het is immers prima hout. Waarom zou je dus niet iets anders van maken?

„De houten tulp bleek een schot in de roos”, zegt Nijhuis. „Vorig jaar verkochten we er drie miljoen van, dit jaar gaan we in de richting van de vier miljoen.”

De houten tulpen worden in Nederland gemaakt, maar in China geverfd. Foto Bram Petraeus

Olieverf van Rembrandt

Die tulpen en souvenirklompjes leggen een opmerkelijke route af. Een batterij machines freest latten in de juiste vorm. Aan de onderkant vallen de tulpenbollen en klompjes in plastic bakken. Om de tien dagen gaat vervolgens een container met zo’n 400.000 onbewerkte tulpjes en klompjes naar China, waar Nijhuis 120 man heeft werken. Daar worden de tulpen met de hand beschilderd. „Dat gebeurt met dezelfde olieverf als bij de Nachtwacht van Rembrandt.”

Eenmaal klaar gaan ze terug naar Nederland. En worden ze verkocht aan een Chinese toerist.

Nijhuis wijst op een open plek naast de hal waar de tulpen worden gemaakt. Volgend jaar staat daar een nieuwe fabriekshal. „Het is hard nodig. Alle machines hier draaien al 24 uur per dag, er is geen extra capaciteit meer.”

De draagklompen lijken bijzaak geworden; tien jaar geleden rolden er nog zo’n 600.000 van de band, nu nog een derde daarvan. Maar ze kúnnen in ieder geval nog gemaakt worden.

Nijhuis: „Mijn haat voor de klomp is omgeslagen in liefde voor het vak. Ik schreef er zelfs een studieboek over, zodat die knowhow voor volgende generaties wordt vastgelegd.”

Aan zijn werkbank in de fabriek heeft Nijhuis alweer het volgende hebbedingetje bedacht. Een klomp met wieltjes, vleugels en een poppetje: de Cloggytoy. Een klomp als speelgoed. In het magazijn liggen de eerste al klaar.

Hij valt even stil. „Wist je dat bij opgravingen op de Nieuwendijk in Amsterdam een klomp is gevonden uit 1230? Klompenmaker is het op een na oudste beroep ter wereld.”

    • Philippus Zandstra