Opinie

    • Abdelkader Benali

Het liefst korte sokken tijdens het hardlopen

42,195 km Schrijver Abdelkader Benali maakt zich op voor de marathon van Rotterdam. Hoe bereidt hij zich voor?

Illustratie Merel Corduwener

Hardlopen is een vorm van uitgaan, je moet je er goed voor kleden. In de zomer is het makkelijk: korte broek en T-shirt. Het najaar stelt andere eisen. Ik ga de Stadionloop doen. Startschot in het Olympisch Stadion, dan naar het Amsterdamse Bos en weer terug. Tien kilometer in totaal.

Vlak voor ik vertrek kijk ik naar buiten. Prima weer. Ik controleer de buienradar op mogelijke onweersbuien. Geen regen, dus het hardloop-petje kan ik thuislaten.

Ik zoek verder in de houten kast waar ik al mijn hardloopkleding in opgeborgen heb. Sommige kledingstukken zijn meer dan tien jaar oud. Er is een isolerend shirtje dat ik in mijn studententijd heb gekocht, tweeëentwintig jaar geleden. Daar zitten niet meer dan een paar kleine scheurtjes in.

Op een dag zette mijn vrouw me onder druk om een groot deel van mijn hardloopkleding weg te gooien. De zweetgeur kon er niet meer uit gewassen worden, zei ze. Met pijn in mijn hart nam ik afscheid van twee vuilniszakken hardloopgeschiedenis.

Moet ik vandaag twee of drie lagen kleding aan, dat is de vraag. Het luistert nauw, je wilt er niet halverwege de wedstrijd achterkomen dat je loopt in een zweetzak. Maar je wilt ook niet rillen van de kou. Er gaat voor de zekerheid een windvangertje mee.

Wanneer ik tijdens het lopen een plas ontwijk, komen er spatten op mijn enkels. Het verfrist me

Ik fiets naar het stadion. Ik moet hard doortrappen, er staat een sterke wind. Mijn eerste hardloopwedstrijd was de Bruggenloop in Rotterdam. Ik was een tiener. Ik droeg een ruimzittend, fluorescerend trainingspak waar de wind van alle kanten aan trok. De regen maakte een zoutzak van mij, doorweekt kwam ik over de finish. Ik dacht toen niet na over wat ik aan moest. Dat kwam later.

In het Olympisch Stadion kleed ik me om. Een hardloper komt terug van het inlopen en klaagt dat het te warm was. „Ik trek een singletje aan.” Het singletje is het dunste hardloopshirt dat er is, een stukje stof zonder lange mouwen. Je kan het samenknijpen in je hand. „Moet je ook doen,” adviseert hij me, „anders zweet je straks als een buffel”. Ik trek het isolerende shirtje uit dat ik onder mijn wedstrijdshirt heb aangetrokken. Het lichaam is een warmtemachine, kleding moet de warmte reguleren. Als je beweegt heb je niet zoveel kleding nodig.

Sokken moeten van mij kort zijn. Hoe meer ze de enkel bloot laten, hoe lekkerder ik het vind. Dus voor mij niet van die lange sokken, die bij sommigen zelfs tot onder de knie reiken. Compressiesokken heten ze, ze zijn in de mode geraakt toen toplopers ze gingen dragen. Het zou zorgen voor een optimale afvoer van afvalstoffen: sokken als stofzuigers, die de rommel uit je lichaam kanaliseren.

Maar ik heb liever korte sokken. Wanneer ik tijdens het lopen een plas ontwijk, komen er spatten op mijn enkels. Het verfrist me. Loop ik over gevallen bladeren, dan zet zich een randje vuil af op de enkels. Het lichaam wordt op die plek vol getroffen door de natuur.

Ik ben klaar voor de wedstrijd. Het is warm, de wind koelt nauwelijks af. Toch zie ik veel lopers in lange broek.

Zelfs dat had niet gehoeven. In de laatste kilometers word ik voorbijgelopen door een halfnaakte man. Alleen het korte broekje heeft hij nog aan.

    • Abdelkader Benali