Hij is zo eigenwijs als de pest en trekt zich van trend noch lezer iets aan

Martin Michael Driessen Uit de verhalen van Martin Michael Driessen blijkt dat hij zo eigenwijs als de pest is.

Als ‘hier’ Nederland is en ‘nu’ 2018, dan is het hier en nu meestal ver weg in de nieuwe verhalenbundel van Martin Michael Driessen (1954). We beleven de Eerste Wereldoorlog met Italiaanse soldaten, maken kennis met ene Timon, een reus op z’n retour die in het Griekse Olympia de ‘geduchte vuistkamper Marmion met één verwoestende slag tegen het voorhoofd’ neersloeg en dobberen in de buurt van de Bermuda’s mee op een ‘sneeuwwit’ luxeschip.

Dat we meestal over de grens zijn en voornamelijk in het verleden, is, voor wie bekend is met het gestaag aan populariteit winnende oeuvre van Driessen, nauwelijks een verrassing. In zijn vorige roman De pelikaan (2017) nam hij ons mee naar het Joegoslavië van de jaren tachtig, in de novellenbundel Rivieren (2016) draaide het onder meer om Bretonse twisten en ook Vader van God (2012) was, als herschepping van beide Bijbelse testamenten, op en top historische fictie. Het postzegeltje dat Nederland op de wereldbol is is ook een postzegeltje in ‘Mijn eerste moord’; je schrikt er zelfs een beetje van als je opeens stuit op Bloemendaal en Breda, plaatsnamen die in het titelverhaal worden genoemd.

Een even kort als opmerkelijk verhaal is dat overigens, met amper drie pagina’s in lengte van een kafkaëske beknoptheid maar puzzling the mind als een vernuftige mozaïekroman. Het is een monoloog van iemand die verhaalt over die keer dat hij als kind zijn vriendje Japie een sloot in duwde. Waarna hij hem herhaaldelijk onder water duwde, ‘tot hij ophield met bubbelen’. De verteller haalde er volwassenen bij, waarna er ‘een heleboel groen water’ uit Japie kwam. Een paar dagen later ontving de verteller een beloning, omdat men veronderstelde dat hij Japies leven had gered. Japie leeft dus nog, wat de vraag opwerpt wat dan die eerste moord was waar gewag van wordt gemaakt. Heeft de verteller zijn eigen ziel vermoord, is dat het? Of dacht hij dat Japie dood was toen hij hulp haalde?

Plompe opstelling

Driessens bundel roept wel meer vragen op. Op de eerste plaats betreft dat de samenstelling ervan. Ik vond het bijvoorbeeld nogal vreemd dat ‘Een ware held’ erin is opgenomen, een lang verhaal dat een paar jaar terug ook al als afzonderlijke publicatie verscheen bij Driessens vorige uitgever Wereldbibliotheek. Nog gekker is de opname van het zo’n honderd pagina’s omvattende ‘Aquis submersus’, dat Driessen helemaal niet zelf schreef, maar vertaalde: het is een novelle van de Duitse schrijver Theodor Storm, bekend van onder andere Der Schimmelreiter. Wat is dat nou toch voor een capriool om andermans tekst in een boek op te nemen waar jouw naam op staat?

Tot zover het meer formele aspect van de bundel. Inhoudelijk valt op hoe druk Driessen het heeft met zaken als eer, met oorlog en andere vormen van geweld, met de verhouding tussen mannen en vrouwen. Schrijft hij hiermee over masculiniteit? Je moet een beetje uitkijken met dit soort toeschrijvingen, maar laten we het erop houden dat er veelal geschreven wordt over onderwerpen die eeuwenlang voornamelijk de man betroffen. En dat treft, want Driessen situeert zijn vertellingen dus meestal (diep) in het verleden. Wat ik maar zeggen wil is dat je het als lezer best oké vindt om de vaak nogal plompe opstelling van de mannelijke personages te accepteren omdat het zich nu eenmaal honderd, honderden, duizend jaar geleden afspeelde. Zo ging dat toen. Vermoedelijk.

Hemingway en Kazantzakis

Rest de vraag wat Driessen nu precies wil met zijn schetsen van vervlogen tijden. Het is, merkte een recensent van De pelikaan bij verschijning op, alsof je een oude Rus leest. Bij dit laatste boek dacht ik: het is alsof ik Ernest Hemingway lees. Of Nikos Kazantzakis. Maar Hemingway en Kazantzakis: die kennen we al. Voegt hij er iets aan toe? Soms wel. Dan speelt hij een spel. Zo ben je ervan overtuigd dat je met dat verhaal over Timon de Griek in de oudheid bevindt, tot er gerept wordt van een poster met ‘Brad Pitt als Achilles’. Maar meestal is er niet veel meer loos dan romantiek en lees je dientengevolge ook zinnen die, anno 2018, de wenkbrauwen nogal doen fronsen. Dan gaat het over Japanners en ‘de onmenselijke hardnekkigheid die hun ras eigen is’ of over ‘kleurlingen in hun smetteloos witte uniformen’, zonder dat zoiets dan, bijvoorbeeld, geïroniseerd wordt.

Hij was lang theaterregisseur, tot hij op zijn 45ste begon te schrijven. Lees ook het interview met Martin Michael Driessen: ‘Mijn succes moest geheel mijn eigen werk zijn’

Verlichtere momenten zijn er gelukkig ook, momenten waarop er meer in de tekst gebeurt. Het beste voorbeeld is ‘Het heilige water’, een verhaal over twee blinde geliefden dat aangrijpend is, maar ook een cultureel-kritisch element bevat. Maria en Thomas werden op jonge leeftijd van hun zicht beroofd en zijn daardoor voor altijd dat frisse beeld voor elkaar. Thomas denkt dat Maria nog beeldschoon is, Maria denkt hetzelfde van Thomas. Verliefd laven ze zich aan elkaar, intussen opgeruimd de hand ophoudend bij de gemeenschap. Die ze met steeds grotere argusogen bekijkt. Wat voegen ze toe? Kunnen ze de handen niet uit de mouwen steken?

Als Thomas door een wonder weer kan zien, heeft hij pas in de gaten wie hij heeft zitten verheerlijken. ‘Boven hem, scherp afgetekend tegen de blauwe hemel, stond een verschrompelde oude wijvenkop: dunne haren kleefden eraan als grijs dons aan een ei, er zaten korsten op de afstaande oren, maar het gruwelijkst was de hoopvolle grijns die heel het gezicht tot rimpels en plooien vervormde en een rij scheve gele tanden toonde.’

Plaagstootje

Liefde maakt blind, luidt het gezegde, maar bij Driessen is blindheid zelfs een voorwaarde voor liefde. En voor lummelen, want zoals een gemeente-secretaris opmerkt: ‘wie kan zien, kan ook werken’. Dat is een gouden zinnetje, zoals ook de typering van een man op de eerste pagina prachtig is: ‘Hij was niet eens echt mooi; hij had iets ordinairs, alsof zijn grootouders nog arme mensen waren geweest.’

Op zo’n moment zijn de intenties van Driessen zonneklaar en schrijft hij kraakhelder. Maar vaak is hij ook niet helemaal te volgen, waarschijnlijk omdat hij zo eigenwijs als de pest is en zich van trend noch lezer iets aantrekt. Die laatste krijgt overigens nog een plaagstootje te verduren als het gaat over een rijke zakenman, die voor zijn verjaardag een groot schip heeft ‘gecharterd’, een ‘extravagante uitgave die hij zich echter even gemakkelijk kon permitteren als de geneigde lezer een uitstapje met vrouw en kind naar Artis.’

    • Sebastiaan Kort