De filosofe die koos voor een leven als fabrieksarbeider

Simone Weil

Het werk van de Franse Weil laat je voelen wat de onderdrukten voelen. Vijfenzeventig jaar na de dood van de filosofe en mystica is het actueler dan ooit.

Simone Weil met haar administratienummer in de fabriek van Renault, waar ze van 1934 tot 1935 werkte. Foto: Getty

Vorig jaar staakten de werknemers van Alstom, een grote Franse treinenbouwer, om zich te verzetten tegen de fusie met Siemens, die in de zomer van dit jaar toch door de aandeelhouders werd goedgekeurd. Meer dan tachtig jaar eerder, op 4 december 1934, trad een van de interessantste denkers van de vorige eeuw in dienst van het bedrijf. Niemand op de fabrieksvloer wist wie Simone Weil was.

Wat zij heeft geschreven over arbeid, bureaucratie en macht is nog altijd relevant. De verhouding tussen de maatschappij en individuele, menselijke lichamen was scheef, vond Weil. Ze dacht voortdurend na over alles wat mensen onderwerpt.

Simone Weil hoefde niet te werken in de fabriek. Ze werd op 3 februari 1909 in Parijs geboren als jongste kind in een rijk, seculier Joods gezin uit de Elzas, dat naar Parijs was verhuisd toen Duitsland de streek annexeerde. Ze was heel begaafd en beheerste klassiek Grieks op haar twaalfde. Op haar tiende noemde ze zichzelf uit verbondenheid met de Russische revolutie bolsjewiek.

Na haar opleiding aan het Lycée Henri IV en de École Normale Supérieure gaf Weil les op school, sloot zich aan bij de arbeidersbeweging en schreef politieke stukken. Later had ze mystieke ervaringen en schreef ze ethische en theologische teksten. Ze werd 34 jaar en overleed in 1943 in Engeland aan tbc.

Bevelen opvolgen

Weil liet een verscheidenheid aan stukken, aantekeningen en fragmenten na, waarvan het meeste postuum is samengevoegd en gepubliceerd. Onlangs verscheen Onderdrukking en vrijheid, een bundeling van Weils politieke en filosofische geschriften. Ook verscheen de vierde druk van Wachten op God, met brieven en teksten die ze schreef aan pater Perrin, haar geestelijk raadsman. Haar werk ademt iets groots en toont een vurige toewijding aan het denken, maar is niet makkelijk te karakteriseren. Weil geeft je altijd net iets anders dan wat je zoekt.

Het werk in de fabriek van Alstom viel Weil zwaar. Ze had moeite met het halen van de productienormen. Aan vriendin Albertine schreef ze dat ze tot haar schrik werkte als een gelaten lastdier, geboren om bevelen op te volgen.

Waarom besloot Weil als ongeschoolde arbeidster te werken? Het denken had haar geen antwoord geboden op de vraag hoe je werk kunt organiseren zonder arbeiders te onderdrukken. Ze vond dat je de onderdrukten niet kon begrijpen als je niet voelde wat zij voelden. In een gesprek dat Simone de Beauvoir, medestudent aan de École Normale Supérieure, beschrijft in haar memoires, verklaarde de tiener Simone Weil al dat niets van belang was dan de revolutie die alle hongerigen van de wereld zou voeden: ‘Ik [De Beauvoir, red.] antwoordde, niet minder dwingend, dat het er niet om ging mensen gelukkig te maken, maar wel om hun bestaan zin te geven. Ze bekeek me van boven tot beneden en beet me toe: ‘Het is je aan te zien dat je nooit honger hebt gehad.’’

Gevangenis

Een jaar voor haar fabriekstijd nam Weil deel aan een mijnwerkersstaking en voerde lange gesprekken met Trotski, die later verzuchtte dat Weil haar geloof in het marxisme had verloren. In Onderdrukking en vrijheid lees je hoe Weil zich schatplichtig wist aan Marx, maar zonder enige achting voor de dogmatiek van het wetenschappelijk socialisme of de communisten – nergens ter wereld bestond een partij die de naam communistisch waardig was. Het Sovjetsysteem kenmerkte ze met het geleende citaat: ‘één partij aan de macht en alle andere in de gevangenis.’

De marxistische analyse schoot te kort. Niet de economie was de sleutel tot het maatschappelijke raadsel, vond Weil, maar de macht. Zolang de machtsstrijd beslist zou worden door het industriële systeem, zouden arbeiders worden uitgebuit.

Het valt op dat ze de gevolgen van machtsuitoefening in kaart bracht met oog voor het emotionele en lichamelijke bestaan van onderdrukten. De heersers waren erop uit om bij hen een gevoel van onmacht in stand te houden. Alles wat hiermee brak, vond Weil subversief.

Arbeiders werden opgeofferd aan de machinerie van bedrijven en daartoe gedwongen door het geweld van de staat, maar deze situatie kon in Weils ogen júist niet door revolutie worden veranderd. Op dit punt brak ze met Marx en haar peers. Hoe zouden arbeiders, ook na een revolutie, iets anders kunnen zijn dan radertjes in de machine en hoe zouden leger, politie en bestuur opeens geen onderdrukkende instanties meer zijn? Ze verwachtte dat het systeem zou voortbestaan tot aan zijn uiterste mogelijkheden.

Haar pessimisme kwam voort uit haar opvattingen over techniek. Door technologische ontwikkelingen was arbeid steeds verder ontmenselijkt. Van die grootindustrie was je niet zomaar af. Met andere woorden: als revolutionairen van de een op de andere dag de fabriek van Alsthom in handen krijgen, zouden ze dan wel weten wat ze ermee moeten doen?

Schandaal

De scheiding tussen hoofd- en handenarbeid had de arbeiders beroofd van de mogelijkheid hun verstand te gebruiken en hen gedegradeerd tot radertjes. Dat was voor Weil schandalig, op economisch, sociaal én spiritueel vlak. Weil was verliefd op het klassieke, contemplatieve leven en stelde zich de vrije arbeider voor als denker, iemand die op een waardige manier op het werk zijn intelligentie kon gebruiken. Arbeiders zouden in haar ogen als individuen in een collectief moeten samenwerken, zonder hun vermogens op te offeren aan een bureaucratisch bestuur.

Een trend in de Franse literatuur: romans over arbeiderskinderen die knokken voor een hogere plek op de sociale ladder. Maar eenmaal daar beland, blijven ze buitenstaanders. Lees ook: ‘Bij ons was het: bedrog, scheiding, ontslag of kanker’

Weil beschrijft bureaucratisering als de opkomst van een nieuwe groep mensen binnen het kapitalisme: de technici en specialisten. Deze derde laag, naast arbeiders en kapitalisten, was geïnteresseerd in het bewaken van hun privileges en kennismonopolies.

In deze bureaucratische machinerie, ‘waarvan sommige onderdelen mensen zijn en waarvan het raderwerk bestaat uit voorschriften, rapporten en statistieken’, komen fabriek en samenleving bij elkaar. Rationalisering en specialisering hebben werknemers verantwoordelijk gemaakt voor steeds kleinere onderdelen van een proces dat niemand kan overzien en stapels papierwerk moeten dit proces verantwoorden. Voor ‘kenniswerkers’ is dit niet anders. Elke dag met je hoofd werken is niet hetzelfde als je verstand gebruiken. Weils mens, die zich nietig en onmachtig voelt tegenover het collectief, is niet verdwenen.

De rationele wereld van papier waarin die mens leeft kent eigen nachtmerries. Arbeiders worden in hun dromen bezocht door monsters die Bank en Financierskapitaal heten, schreef Weil, en de burgerij droomt van ‘leiders, agitatoren en demagogen’. Politici denken dat kapitalisten ‘bovennatuurlijke wezens’ zijn met de sleutel tot de oplossing. Weil: ‘In zo’n situatie kan elke leeghoofd als koning beschouwd worden.’

Derde Rijk

Dat klinkt bekend. In het postindustriële kapitalisme geloven politici nog altijd in deze bovennatuurlijke wezens en zijn zich steeds meer gaan gedragen als hun slippendragers, als managers en specialisten. Arbeiders zijn manager van zichzelf geworden, veranderd in de monsters uit hun dromen: ze ‘investeren in zichzelf’ en in hun relaties, organiseren hun productiviteit en spugen het juiste papierwerk uit.

Twee jaar geleden verscheen op de website van de Los Angeles Review of Books het essay The Supermanagerial Reich van Ajay Singh Chaudhary en Raphaële Chappe. Zij beschrijven hoe in het Derde Rijk veel diensten geprivatiseerd werden en een financiële elite opkwam van supermanagers die monopolies en kartels bestuurden. Ze zien een parallel met het heden: de neoliberale economie kent ook een hoge concentratie van macht en kapitaal in de handen van een kleine groep supermanagers. Dit holt de democratie uit. En dan moet je volgens de auteurs niet gek opkijken als er nieuwe vormen van fascisme aan terrein winnen. Als de belangen van een financiële elite belangrijker zijn dan democratie, leg je de rode loper uit voor extreem-rechts, voor leiders die de dodelijke taal van natie, ras en volk spreken.

Begin jaren dertig schreef ook Weil dat de opkomst van totalitaire regimes niemand hoefde te verbazen. De morele sfeer van de bureaucratische machinerie was verstikkend. Het cynisme van het kapitalisme zou worden vervangen door het fanatisme van een nieuwe staatsreligie, een totalitaire samenleving waarin arbeiders hun ellende als ‘vrijwillig aanvaard offer’ zagen. Dit vrijwillige offer omschreef Weil als een mengeling van ‘mystieke toewijding en onbelemmerde bestialiteit.’ Ik denk hierbij aan geweld, maar ook aan de huidige cultus van het werk, waarin werknemers enthousiast en creatief hun offers moeten brengen.

Wachten op God bestaat uit brieven en stukken uit de jaren veertig en bevat prachtige teksten, maar ook passages waarin Weil het Jodendom categorisch in verband brengt met de Christusmoord en geestelijk verval. Dat is haar later terecht zwaar aangerekend.

Spreekt hier een andere Weil? Zoals ze vond dat geen enkele communistische partij die naam waardig was, was het christendom niet katholiek, want niet echt alomvattend. Ze weigerde de doop en schreef aan pater Perrin dat ze het geloof nooit had gezocht. Ze had wel iets anders aan haar hoofd, namelijk de problemen van de wereld.

Verdwenen schoonheid

In die laatste opmerking proef je dat Simone Weil de mystica en theologe niet een totaal andere denker is dan de socialistische Weil. In Wachten op God schrijft ze bijvoorbeeld over aandacht als liefdevolle houding, die zichtbaar maakt wat aan het zicht onttrokken wordt door de willekeur van machtsrelaties. Hier raakt haar latere denken aan haar werk over arbeid en macht.

Die aandacht komt voort uit wachten, uit stilte, een ‘passieve activiteit’, die ze ook aantreft in de Bhagavad Gita, en bij Lao Tse. Deze houding hoort volgens Weil óók bij werk, althans, zoals werk zou moeten zijn, namelijk een betekenisvol deel van het leven: ‘lichamelijke arbeid brengt een bijzonder contact met de schoonheid tot stand, en in de beste ogenblikken een aanraking die nergens inniger is.’

De Franse auteur en ‘klassenmigrant’ Didier Eribon keerde terug naar zijn wortels in Reims. Daar drong tot hem door dat de arbeidersklasse verraden was. Lees ook: Klasse is ook een identiteit

Dit contact met de wereld en haar schoonheid is niet vanzelfsprekend. Wij leven in een droom, schrijft Weil in ‘Liefde tot de schone orde der wereld’. Wie wakker wil worden en ‘de ware stilte’ wil vernemen, moet afstand doen van zijn denkbeeldige centrale plaats in de wereld. Wie zo breekt met zijn ‘valse goddelijkheid’ en zich niet langer het middelpunt van alles waant, ziet in ‘dat alle plaatsen hetzelfde recht bezitten om zo’n middelpunt te zijn.’

Met dit besef kon menselijk handelen voor Weil een vorm van poëzie zijn. Erg wijdverbreid was die poëzie niet. Ze vond dat de witte, westerse wereld dit gevoel voor schoonheid zelfs bijna verloren was en het met wapens, handel en godsdienst ook elders deed verdwijnen. Schoonheid is een doel zonder doelmatigheid, zei Weil met Kant. Iedereen heeft het recht die schoonheid te ervaren. Productie en contemplatie zijn in Weils ideale wereld niet van elkaar gescheiden.

De ideeën van Simone Weil over arbeid, aandacht en het decentreren van de eigen ervaring, zijn een bron van weerstand tegen de mens als middelpunt van een maakbare wereld, waar hij, door onderwerping van mens en dier, tot de laatste snik winst uit wil persen.

    • Maarten van der Graaff