Recensie

Opgroeien tussen zwaar getraumatiseerde ouders, die je toevoegen dat je ‘erger dan Hitler’ bent

Arnon Grunberg

In een grondige, verrijkende monografie onderzoekt Yra van Dijk het complete werk van de Joodse schrijver die pas echt kan leven als het leven op het spel staat. Angst, schuld en schaamte zouden zijn terug te voeren op de relatie met zijn door de oorlog getraumatiseerde moeder. (●●●●)

Schrijver Arnon Grunberg met zijn in 2015 overleden moeder Hannelore Grünberg-Klein, op beeld uit de documentaire Moeder & Grunberg (2015).

‘Arnon Grunberg, voor al uw excursies naar de hel. U wordt thuisgebracht’. Zo vat de schrijver zijn oeuvre samen in de Verweylezing van 2008. Nou ja, eigenlijk had hij het over een collegereeks over kampliteratuur die hij met die lezing afsloot. Anders dan de Duitse filosoof Theodor Adorno vindt hij dat je best voor je plezier over de Shoah mag lezen, zolang het maar niet uitloopt op al te vrijblijvend ramptoerisme.

Adorno stelt dat literatuur over de Shoah valse betekenis en ongewenst zin geeft aan de volkerenmoord op de Joden door de nazi’s (1933-1945), waardoor de horror hapklaar en onschadelijk wordt. Grunberg staat daar iets anders in. Die maakt zich vooral vrolijk over de sacralisering en commercialisering van de Shoah. De Shoah kan wel tegen een stootje. Betekenis geven vindt hij een essentiële taak van literatuur, maar wel betekenis zonder het eenduidige en absolute van religie of ideologie.

Dat schrijft letterkundige Yra van Dijk in Afgrond zonder vangnet, haar grondige en verrijkende monografie over Grunberg. Van Dijk loopt chronologisch door zijn dertien romans, neemt en passant ook zijn tientallen andere geschriften mee, en behandelt zo ongeveer iedere invalshoek die je bij Grunberg kunt bedenken. Met als hoofdlijn: of Grunberg je nu meevoert naar een tuinhuis in Amsterdam Oud-Zuid, naar een safe house in Bagdad, of een brandweerkazerne in Heerlen, je eindigt altijd weer in het kamp.

In Goede mannen herken je de sterke kanten van Arnon Grunbergs schrijverschap. Maar waarom blijf je dan verlangen naar een betere of zelfs heel andere Grunberg? Lees ook: In zijn nieuwste roman is Grunberg grilliger dan ooit

Wat Grunberg vooral wil duidelijk maken met zijn boeken, is dat de Shoah niet een onbegrijpelijke en unieke ramp was – een korte onderbreking van het langlopende Europese beschavingsproject. Nee, de Shoah ligt juist in het hart van onze samenleving. Voor wie goed kijkt, ziet er overal afspiegelingen van.

Dat valt eenvoudig te verklaren uit zijn jeugd, schrijft Van Dijk. Grunberg heeft Duits-Joodse ouders die beschadigd uit de oorlog zijn gekomen. Wat de zoon over zijn jeugd schrijft, lijkt sprekend op andere getuigenissen van tweede-generatieslachtoffers. Opgroeien tussen zwaar getraumatiseerde ouders, die je geregeld toevoegen dat je ‘erger dan Hitler’ bent, en uit het niets met eten kunnen gaan gooien, zorgt voor een blijvend gevoel van onveiligheid en een dijk van een hechtingsprobleem.

Van Dijk betrekt ruimhartig Grunbergs biografie in haar beschouwing, wel steeds benadrukkend dat we alleen de publieke versie van zijn leven kennen – uit zijn artikelen, optredens en interviews – die gestileerd is, en voor een onbekend deel fictief. Des te meer reden voor haar om die publieke Grunberg ook tot zijn oeuvre te rekenen.

De moraal ontmaskeren

Grunbergs ouders gaven hem het gevoel dat het leven in het kamp het échte leven was. Alles wat de zoon meemaakt is een slappe nepversie van het leven. Je kunt pas echt leven als het leven op het spel staat. Soms letterlijk: Grunberg voelt een ongekend gevoel van euforie als hij een gevaarlijke missie in Afghanistan of Irak overleeft. Alleen pijn en geweld zijn echt. Wreedheid is de waarheid.

Dat veel lezers het leven vermoedelijk zonniger zien, wil hij hen zo snel mogelijk afnemen. Hij wil met zijn boeken ontluisteren, de moraal ontmaskeren als vals, de hoop als gevaarlijk. ‘Literatuur is een illusie die andere illusies vernietigt.’ Van Dijk wijst op de gelijkenis met het wereldbeeld van W.F. Hermans, maar ze zou ook andere naoorlogse existentialisten of absurdisten kunnen noemen.

Grunberg is wel milder geworden, en vooral breder georiënteerd, zo laat Van Dijk zien. Na 9/11 schreef hij romans, als De asielzoeker en Tirza, waarin de Shoah dieper verscholen gaat achter actuele thema’s, op een manier die aan Houellebecq of Coetzee doet denken: hackers, racisme, burgeroorlogen in Irak of Afghanistan, boomtown Dubai, Latijns-Amerikaanse dictaturen

Grunberg richt zich tegen ‘salonhumanisten’, die een flatteus ethisch beeld van het Westen ophouden, dat niet bestand is tegen het minste zuchtje buitenlucht. In deze boeken duikt de niet-westerse Ander op, als inwonende asielzoeker, Namibisch kindhoertje of Nepalese ouderenverzorger, door wie de zelfvoldane westerling zichzelf gaat zien zoals hij werkelijk is: op zijn best onmachtig en onverschillig, op zijn slechts in staat tot moord en erger. ‘De barbaren zijn wij.’

Hoofdpersoon is doorgaans een witte, mannelijke intellectueel. Door een trauma kan hij niet goed leven, staat hij op afstand van zijn omgeving. Hij wordt geremd door angst, schuld en schaamte. Hij wil voor een vrouw zorgen, maar weet niet hoe, wat vrijwel altijd leidt tot de ondergang van die ander, en van hemzelf.

Volgens Van Dijk zijn de verknipte relaties tussen mannen en vrouwen in de romans terug te voeren tot Grunbergs symbiotische relatie met zijn getraumatiseerde moeder, die hij zo bemint dat het op een liefdesrelatie lijkt. Een gewelddadige liefde, la tendre guerre. ‘Ik kom niet uit de oorlog, ik kom uit mijn moeder’, schrijft hij. Als in 2015 de oorlogsmemoires van zijn moeder verschijnen, stelt hij: ‘Mijn oeuvre is een voetnoot bij dit boek, en bij mijn moeders leven.’ Met fictie wil hij de gaten in de verhalen van zijn ouders opvullen.

Psychoanalyse en zorg

Het kamp en de moeder zijn niet de enige onderwerpen die Van Dijk uitdiept. Haar boek gaat ook nog over psychoanalyse, de zorg, de rol van literatuur, van de publieke intellectueel, Grunbergs verdediging van de EU, en nog veel meer. Soms haalt ze iets te veel overhoop, en zijn haar associaties wel erg wild. En het is jammer dat ze bij het behandelen van een auteur die zo helder schrijft, er denkers bij haalt die zich troebel uitdrukken, zoals de eeuwige Lacan, Adorno, Derrida. Zelf gebruikt ze ook parmantig vakjargon als ‘betekenaar’, ‘affect’ en ‘topoi’. Verder had ik wel meer willen lezen over Grunbergs toegankelijke stijl, zijn speelsheid en humor, die essentieel zijn voor zijn werk. Op basis van deze studie zou je denken dat Grunberg een loodzware cynicus is.

Voor wie wel eens iets over Grunberg leest, zal het niet als een verrassing komen dat de Shoah en de Joodse mamme zo’n grote rol spelen. Het is vooral Van Dijks verdienste dat ze dit eens uitputtend voor ons uitzoekt, en zijn werk naast kampliteratuur en traumatheorie uit de psychologie legt. Dat blijkt precies te passen.

Een opvallende, maar terloops gebrachte vergelijking staat in de voetnoten. Van Dijk noemt de vlakke toon waarop overlevenden over het kamp vertellen, ontdaan van emoties en duiding – alsof het geen herinneringen zijn, maar ruwe beschrijvingen van wat nu gebeurt. Ze haalt een Poolse tweede-generatieschrijver aan, over haar ouders: ‘Hun herinneringen vertaalden zich in beelden, abrupte zinnen’, in ‘repetitious, broken refrains’. Ze noemt ze ‘compressed, packed, sharp.’ Klinkt als de stijl van Grunberg.

    • Wilfred Takken