Opinie

    • Stefan Hertmans

De fictie en de feiten

Verweylezing 2018 Ontlezing bedreigt ons, maar tegelijk wordt er – dankzij sociale media – wereldwijd meer gelezen dan ooit tevoren. Reden tot een klaagzang, of tot hoop? Stefan Hertmans vraagt het zich af in zijn Verweylezing, die NRC bij wijze van longread (ruim 5.000 woorden) hier in zijn geheel publiceert.

Dames en Heren,

De stemming in de Duitse pers was tijdens de eerste dagen van de Frankfurter Buchmesse wellicht typerend voor de tijd waarin we leven. Op 9 oktober schreef de gezaghebbende criticus Lothar Müller in de Süddeutsche Zeitung dat we er niet omheen kunnen: de ontlezing zet zich door, er werden 6 miljoen boeken minder verkocht de afgelopen jaren, de jongere generaties raadplegen steeds minder gedrukte media, de branche stevent nu pas echt op een crisis af.

De dag erna, eerste dag van de beurs, stond in dezelfde krant een prominent artikel waarin de indrukwekkende toespraak van Chimamanda Ngozi Adichie tijdens de openingsceremonie van de avond tevoren werd besproken. De Nigeriaanse literaire wereldster pleitte ervoor, de rol van literatuur in crisistijden niet te onderschatten. Volgens haar is het nut van literatuur in de samenleving apert: ze biedt ons de mogelijkheid de maatschappelijke verruwing tegen te gaan door ons schoonheid en inzicht te bieden.

Daarmee werden haast obligaat de twee polen, waartussen het debat over de positie van literatuur in de samenleving sinds decennia draait, opnieuw netjes aangegeven.

Zoals het met alle gespreksonderwerpen gaat, zijn er in deze kwestie believers en sceptici, voorstanders en weglachers en een grote groep schouderophalenden ertussenin, die het worst zal wezen.

Uiteraard blijft de Frankfurter Buchmesse een van de belangrijkste evenementen voor de mondiale boekenbranche. Anders dan bijvoorbeeld de Antwerpse Boekenbeurs is die van Frankfurt grotendeels een strikte vakbeurs: er lopen alleen vaklui langs de talloze stalletjes van alle mogelijke uitgeverijen. Pas in het weekend is de beurs open voor het grote publiek, is er beperkte koopmogelijkheid en zie je er ook de gewone lezers rondstruinen.

Gutmensch

Lothar Müller stelde echter vast dat ook deze beurs steeds meer publieksgericht aan het worden is, dat ze zich door haar opstelling steeds meer in de maatschappelijke debatten gooit, dat ze solliciteert naar de aandacht en de smaak van de modale lezer – dat is dan meestal de progressief denkende, welwillende gutmensch, hij of zij die nog gelooft dat de wereld met schoonheid te redden valt – iemand zoals de Afrikaans-Amerikaanse Ngozi Adichie dus. Volgens Müller is deze maatschappelijke thematisering van de beurs een teken aan de wand: zichzelf uitroepen tot een noodzakelijk medium is eigenlijk bekennen dat dit niet evident meer is en dat je die positie al aan het verliezen bent.

Van deze sceptische afwegingen was bij Ngozi Adichie geen spoor; verwijzend naar de positie van minderheidsgroepen, de rechten van vrouwen of van politieke vluchtelingen tegen de achtergrond van de recente geopolitieke spanningen, is het voor haar duidelijk waarom we moeten blijven lezen en schrijven.

Ook bij de Duitse Bondspresident Karl-Walter Steinmeier, die de Buchmesse met een debat opende, valt dit soort optimisme ten opzichte van de literatuur breed en monter waar te nemen: het zijn volgens hem de schrijvers die door het vertellen van verhalen, door het bieden van schoonheid, kritiek en reflectie mensen moeten blijven herinneren aan de democratische waarden waar het oude continent voor staat: openheid van geest, tolerantie, genuanceerd debat. Erfgenaam van de Weltliteratur zoals Goethe die voor het eerst definieerde, ziet Steinmeier – een warmhartige Realpolitiker, om hem paradoxaal te typeren – de literatuur als een breekijzer om gesloten harten weer te openen. Het vertellen van verhalen, zo zegde ook de Kroatische schrijfster Ivana Saijko tijdens het publieke gesprek dat we met de president voerden, moet ons herinneren aan de specifieke rol van elk mensenleven. Het gaat erom dat schrijvers telkens weer het individu zijn plaats teruggeven, tegen de verpletterende collectieve dwang op politiek, economisch, moreel en psychologisch vlak in. Juist het specifieke van elk mensenleven vertegenwoordigt zijn universele betekenis.

Blijkbaar gaat de literatuur tegen de veralgemening in door algemene thema’s te ‘verbijzonderen’, ze particulier te maken – en juist daardoor algemeen herkenbaar.

Deze paradox is belangrijk, omdat hij de schrijver zijn eigenzinnigheid, koppigheid en individualisme niet alleen gunt, maar die zelfs vooropstelt als democratische voorwaarde. De herkenbare mens is hij die afwijkt van het algemene beeld.

Het eindeloze debat over de vraag of de schrijver strikt individueel dan wel als spreekbuis van een groep optreedt, is daarmee eigenlijk overbodig: het een versterkt het ander.

En toch. Het is een beetje ondeugdelijk, van cultuur en literatuur steeds weer te verwachten dat ze de samenlevingsproblemen op zich neemt die ze niet zelf veroorzaakt heeft – excusez du peu, maar die problemen worden vooral veroorzaakt door drammerige politici die juist te weinig hebben gelezen om hun eigen standpunt te kunnen relativeren of intellectueel te plaatsen. Moet de literatuur wel iets? hoor je dan ook telkens weer vragen. Het antwoord is simpel: nee ze moet niets, maar ze doet blijkbaar wel iets. Net daarom.

*

Het is een vreemde paradox.

Er wordt in de huidige samenleving meer dan ooit gelezen – massaal, wereldomspannend en onophoudelijk, en toch hoor je steeds weer die aloude klacht over de ontlezing, over het einde van de literatuur zoals die zich ontwikkeld heeft in de afgelopen eeuwen, over het verval van de historische canon, over de teloorgang van de literacy, de literaire geletterdheid. Er zou een te grote druk uitgaan van de beeldkracht in de media, zodat lezers geen appeal meer voelen voor het lezen van een boek; auteurs zouden dan weer zelf geen ‘pure’ literaire verbeelding à la Kafka meer hebben, de non-fictie zou steeds meer hun verbeelding opslorpen, lezers zouden bovendien alleen nog thematische non-fictie willen lezen en romans zouden alleen over heel herkenbare problemen mogen gaan – iets wat dan weer gereflecteerd wordt in de literatuurbijlagen die steeds vaker de nadruk leggen op boeken die gelieerd zijn aan actuele sociale problematieken, waardoor recensenten steeds minder waarde hechten aan de inherent literaire kwaliteiten van een boek.

Literatuur zou bovendien als vrijblijvend afsteken tegen deze overvloed aan fact en non-fiction, zodat heel wat auteurs doelbewust actuele maatschappelijke thema’s zouden opzoeken om toch nog enige aandacht te genereren in de niet te overziene stapel zelfhulpboeken, psychologische adviesboeken, door onderbetaalde ghostwriters bij elkaar geharkte losse flodders van politici, huis- tuin- en keukenboeken die elke maand over onze hoofden wordt uitgespuwd – waardoor de creatieve oorspronkelijkheid in het gedrang zou komen.

Daardoor zou er steeds slechter en slordiger geschreven worden, mede door de invloed van commercie en door uitgevers aangezwengelde carrièredwang. De leesvaardigheid zou in hetzelfde tempo afkalven. Kortom: het einde van de literatuur, het stokpaardje van cultuurpessimisten van allerlei slag, is terug van nooit weggeweest.

Stefan Hertmans hield woensdag 14 november de Verweylezing in Leiden. Foto NRC

In een merkwaardig stuk proza uit 1959, getiteld Mort du dernier écrivain, beschrijft de Franse essayist Maurice Blanchot, als in een parabel van Kafka, hoe zich na de dood van de laatste ‘echte’ schrijver (wat of wie die dan ook moge zijn) een eindeloos aanhoudend gemurmel zou verheffen, een gemurmel dat nooit meer ophoudt – een vreemd en onpersoonlijk ‘iets’ wat zo maar praat, een soort leegte die zelf aan het murmelen en mompelen lijkt te zijn gegaan, iets zonder geheim of betekenis dat toch ieder mens van de ander lijkt af te snijden en te vervreemden; tevens lijkt het erop dat dit gemurmel iets wil zeggen, iets wil duidelijk maken, alsof er een diepte uit opwelt, iets ongehoords; het gemurmel bedriegt niet, schrijft Blanchot, want het belooft niets, het lijkt altijd voor één iemand te spreken terwijl het toch volstrekt onpersoonlijk is. Het is de afwezigheid van elk werkelijk woord (‘parole’) die spreekt, men durft het er niet eens over te hebben, of er zelfs een toespeling op te maken.

Dictator

Een schrijver zou hij zijn, zegt Blanchot, die een einde kan maken aan dit eindeloos geraas, iemand die een nieuwe muur zou bouwen tegen deze oceaan van gepraat. Een heuse schrijver zou alleen zij of hij zijn, die de stilte herstelt. Want een schrijver, stelt hij, moet recht doen aan de stilte; en indien hij of zij die stilte niet kan doen terugkeren, houdt dat volgens Blanchot het verdwijnen in van de literaire taal.

Het gekke is, dat deze beschrijving van het eindeloos gemurmel dat telkens voor één iemand bedoeld is terwijl het toch onpersoonlijk is, een perfecte voorspelling lijkt te bevatten van wat social media ons vandaag de dag bieden. Zo bekeken, zou volgens Blanchot de schrijver dus iemand zijn die dit eindeloos geraas tot stilte kan dwingen door het schrijven van een boek.

Het interessante is, dat Blanchot een dergelijke schrijver vergelijkt met een dictator, hoewel hij ook diens tegendeel is. De dictator legt het eindeloze gepraat het zwijgen op door het lanceren van lege, zinloze bevelen; de schrijver moet het echter anders aanpakken: hij moet opnieuw in contact komen met het oorspronkelijke geruis, ‘le rumeur initial’, het oergeruis, hij moet zelfs in die eerste stilte van voor het geruis durven springen – een oer-sprong naar de oorsprong van elk spreken, zonder aan de sprekende mensen voorbij te gaan.

Het is natuurlijk een feit dat de literaire auteur momenteel onder enorme druk staat om toe te geven aan een dergelijk gemurmel, om de alom aanwezige retoriek van een geveinsde natuurlijkheid te produceren, een stijl die als het ware onophoudelijk van zichzelf zegt: ik bén helemaal geen stijl, ik ben de pure stem van de eenvoudige burger, ik ben een en al achteloze spontaniteit, ik praat net zoals iedereen, ik ben normaal en sympathiek – terwijl, zegt Blanchot, het neerschrijven van woorden als brood of engel ons meteen laten voelen dat er geen eenvoudige taal bestaat en de schrijver van bij het eerste woord alleen staat; dat de zogenaamde ‘langue immédiate’, de recht-voor-de-raap-taal helemaal niet zo direct is, maar een zoveelste retorische truc om on speaking terms te komen met dat eindeloos gemurmel dat nooit een werkelijke oorsprong heeft gehad – een gemurmel dat ons integendeel met elk woord verder verwijdert van elke notie van integer spreken. Het onophoudelijk gepraat vervreemdt ons volgens Blanchot van iets wezenlijks waaruit taal ooit is ontstaan: het concrete, haast primaire beeld van een voorwerp, een aangezicht, een toestand. Een confrontatie waarvoor woorden niet vanzelfsprekend zijn.

Doen alsof we door het eindeloos produceren van murmelende boeken dichter bij de bron zouden kunnen komen, is volgens Blanchot dan ook zinloos; alleen de sprong in een onmiddellijke stilte zou dit kunnen, maar die sprong is natuurlijk ook maar een illusie.

Algoritmes

En toch – in die bijna onmogelijke verhouding tot de verloren oorspronkelijkheid, die als een fatale stilte achter elk woord gaapt, moet de schrijver zijn krachten meten met het eindeloos gemurmel dat hem omgeeft, en waaruit hij een vorm van waarachtigheid probeert te puren – en dat is iets volkomen anders dan de illusie van de waarheid, want die hoort als begrip zélf bij het eindeloos geroezemoes. Wat hem of haar te doen staat, volgens Blanchot, is in de onzekerheid te springen, de onzekerheid die heel zijn bestaan draagt en doortrekt, want wat hem het meest intiem nabij is, is juist dit onbereikbare begin, die oer-sprong in de taal.

Ik lees u even een gedicht voor uit mijn meest recente dichtbundel.

Het moet iets donkers zijn geweest,
het eerste woord,
dik op de tong en pril,
iets tussen zucht en schreeuw
dat zich de dag in stootte
en meteen verdween.

Pas de herhaling is een wonder,
dat wat terugkeert zonder
dat je erom vraagt
maar dat ons draagt.
De eerste is altijd de tweede,
maar voor het eerst begrepen
in de keer.

Ik zweer je, ik zeg het nooit,
de grot klinkt ruw en warm in ons,
het is een tekening op je tong,
kun je het voelen, ja zo,
oer-sprong,

je snapt het en je rolt
lachend het bed uit
en de prehistorie in.

Nog in de jaren zeventig van de vorige eeuw voorspelde de Tsjechische filosoof Vilém Flusser dat onze oude lineaire manier van lezen gedoemd was te verdwijnen ten voordele van andere, door computers gestuurde leeswijzen die veel complexer en tegelijk directer zijn. De iconen, logogrammen, cryptogrammen, en inmiddels de algo- en logaritmes tonen ons veel complexere tekensystemen waartegen het lezen van lineaire tekens op een rij maar pover afsteekt als erg primitief.

Made in Hollywood

Tegelijk beschouwde Flusser de aloude poëzie als een medium dat alle nieuwerwetse denkers over logaritmen en machines kon blijven inspireren. Poëzie produceert namelijk kennis- en ervaringsmodellen volgens heel complexe lijnen, stelde Flusser. Hetzelfde gebeurt volgens hem met onze existentiële ervaringen, - neem nu die van de liefde:

“In onze huidige ervaring van liefde, herkennen we liefdesmodellen made in Hollywood, geboetseerd volgens modellen van de oude romantische poëzie, die op haar beurt voortkwam uit die van de middeleeuwse troubadours. Achter al deze modellen vinden we christelijke liefdesmodellen, en daarachter nog joodse en Griekse liefdesopvattingen, tot dat de wortels van dergelijke beelden zich verliezen in de prehistorie”.

Flusser vindt dan ook dat we nooit zo maar kunnen spreken van vooruitgang in ons denken, maar dat het gaat om wat hij noemt ‘multiplicity in perception’. Er zijn verschillende werkelijkheden tegelijk aan het werk, het ene hoeft het andere niet uit te sluiten.

Flusser geloofde met andere woorden niet, dat de druk waaronder het oude lineaire lezen kwam te staan, iets te maken had met vooruitgang of doemdenken. Hij zag integendeel hoe onze oude culturele gewoonten opgingen in een totaal nieuw denken, dat door computers wordt teweeggebracht. Een dergelijk genuanceerd model heeft het voordeel dat we ons niet in cultuurpessimisme moeten wentelen wanneer we vaststellen dat het oude cultuurmodel onder druk staat, maar dat we op zoek moeten gaan naar de manier waarop het oude en het nieuwe interageren.

Dat gaf bij Flusser aanleiding tot het speculeren over de manier waarop computermodellen in staat zouden zijn nieuwe poëzie te genereren. Het beeld dat hij opriep had iets van science fiction toen hij het schreef, maar het komt nu al heel snel dichterbij.

Ik citeer hem nog even:

‘We zouden dus twee soorten van poëzie als taalspel kunnen verwachten. Aan de ene kant zullen de artificiële intelligenties onophoudelijk nieuwe gedichten spuien, die gelijk opgaan met de ontwikkeling van hun programma’s. aan de andere kant zullen de information designers, met behulp van permutatie, games doen ontstaan – al dan niet alfabetisch gecodeerd, die aan een adembenemend tempo op onze schermen zullen oplichten, als een soort artificiële Eliot of Rilke’. Goed, gaat Flusser verder, er zullen hier en daar nog wel mensen overblijven die alfabetisch en lineair zullen bezig blijven, maar dat fenomeen zal op de achtergrond geraken, de oude lineaire leescultuur zal verdwijnen ten voordele van de razende logaritmen en hun eindeloze creatieve mogelijkheden, en ook de oude literaire kritiek zal verdwijnen.

Futuroloog

Maar de laatste paragraaf van dit essay spreekt dan plots de vrees uit, dat deze artificiële revolutie van het eindeloze woord ‘the decline of reading’ zal uitlokken.

‘We vrezen dat in de toekomst alle boodschappen, zeker die van waarneming en ervaring, zonder vorm van kritiek overgenomen zullen worden, dat de revolutie van de informatica mensen tot louter passieve ontvangers zal reduceren die onnadenkend boodschappen blijven remixen, dat wil zeggen – als robotten’.

De futuroloog botste hier zelf op de ultieme grens: hoe juichend de algo- en loga-ritmische vooruitzichten ook zijn, er zal iets wezenlijks zijn weggevallen. Poëzie die door artificiële intelligentie wordt geproduceerd, zal, hoe virtuoos ook, uiteindelijk maar een simulacrum zijn, waaraan de directe ervaring van het leven van mensen en hun altijd weer ingewikkelde existentiële omstandigheden zal ontbreken. Met andere woorden: dergelijke virtuositeit, losgezongen van het gebrekkige lijf en leven van de mens, zou geen enkele spankracht meer hebben en ons uiteindelijk onverschillig laten, behalve dan de enkele nerds die dit voorbijrazen van alle mogelijke krankzinnige nieuwe combinaties als hun nieuwe waarheid zouden beschouwen, terwijl hun gedesillusioneerde lief stilletjes langs de achterdeur verdwijnt.

Het is natuurlijk een feit dat we om de vraag naar de verhouding tussen artificiële woordproductie en, zeg maar ouderwetse culturele woordproductie, niet heen kunnen en dat de vraag op zich legitiem is.

Maar het probleem met al die speculaties over ontlezing en het einde van de literatuur ligt volgens mij elders.

Het gaat er niet zozeer om dat mensen geen lineaire teksten meer zouden willen produceren of ontcijferen – zoals eerder gezegd wordt er meer lineair gelezen dan ooit voor ons in de geschiedenis – of om het feit dat mensen blijkbaar tools and capabilities aan het verliezen zijn om teksten adequaat te ontcijferen, en eigenlijk ook niet over de steeds weer opduikende bemerking dat ze inmiddels een te korte aandachtsspanne hebben door de habitus van het onophoudelijke scrollen – talloze mensen lezen ook longreads en wetenschappelijke artikels op internet. De ware reden voor een mogelijk verval van de status van het geschreven woord ligt volgens mij dieper, en ze komt pas sinds het fenomeen Trump ten volle aan het licht: het geschrevene is als medium zijn geloofwaardigheid en status kwijtgespeeld. Het is onderhevig aan een fundamentele waarheidscrisis door de manipulatiemogelijkheden van de nieuwe technologieën – net zoals de waarheidsaanspraak van schilderkunst ondermijnd raakte door de fotografie en de fotografie ondermijnd is geraakt door fotoshop.

Houdt uw bek

Dat wil zeggen dat de nieuwe technologieën net door het eindeloos produceren van tekst zelf niet voor een explosie van mogelijkheden, maar voor een implosie van de status van het geschrevene hebben gezorgd. Het woord is in de westerse cultuur sinds lang zijn Bijbelse urgentie kwijtgeraakt. Het is later, door de ondergraving van het woord door dictators, manipulators en cynische politici, onderhevig geraakt aan een ideologische uitholling van zijn status; en het is tenslotte, door de druk op de oude, geschreven pers en haar eertijdse waardige rol als morele behoeder van samenlevingen, ten prooi gevallen aan een algemeen wantrouwen – een wantrouwen waaruit de nieuwe profeten garen spinnen om via talloze kanalen op internet de grootst mogelijke desinformatie te verkopen als de nieuwste sensatie, verkiezingen te beïnvloeden, systematisch te hacken en te manipuleren. Het woord is op die manier niet meer de garant van een sprekende autoriteit, maar een wereldomspannend onophoudelijk geruis geworden. In die zin is het vooruitgangsvisioen van Flusser op een sisser geëindigd, en is het oude, kafkaëske verhaaltje van Maurice Blanchot actueler dan ooit: het gemurmel heeft het woord gedood.

Deze crisis van het geschreven woord is dubbel: enerzijds zijn mensen niet meer zo goedgelovig als ze ooit waren, ze slikken geen halve wonderen en filippica’s meer, ze worden door het woord niet meer onder de knoet gehouden. Ze slaan terug met meningen, hearsay, citaten, elders weggeplukte slogans en stellingen, ze knippen, kopiëren en plakken erop los, ze laboreren dagelijks aan het soort eindeloos vertakkende woordwoekering dat de Franse filosoof Gilles Deleuze lang geleden een rizoom noemde: een soort voortwoekerende tekstplant die alles inpalmt dat op zijn weg komt. Het ouderwetse kritische denken, dat geliefd criterium dat stamt uit de vorige eeuw, het stelselmatig en analytisch ondergraven van starre ideologieën, is uitgemond in een alles bekritiserende wildgroei waarbij niets meer hoeft geloofd te worden en alles evengoed kan gewantrouwd worden zonder dubbelcheck. Daarbij worden vooral de geijkte kanalen van het geschreven woord gewantrouwd en geviseerd. Zoals een man in een betoging in Chemnitz het onlangs via een bord liet weten: Presse, halt das Maul. In één beweging door: schrijvers, cultuurelite, verfoeide intellectuelen, houdt uw bek, geschreven woord, houdt uw bek, elitaire boeken, doe niet alsof er waarheid in jullie schuilt, er is geen autoriteit meer die ons de les zal lezen – wij zijn werkelijk vrij, wir sind das Volk. Wij zijn kritisch genoeg om niemand meer te geloven, en al helemaal niet meer zij die denken dat ze via het geschreven woord iets moeten betekenen: zij zijn alleen maar bezig met het vergaren van hun symbolisch kapitaal en erop uit ons te onderdrukken met hun elitaire mening. De hele hetze van de Trump-adepten bestaat uit niets anders: het verdacht maken van lieden die zich schriftelijk kritisch en bedachtzaam willen uiten. Deze aantasting van de oude geschreven media is niet alleen Trumps voorrecht; ze heeft zich ook al diep in de populaire en politieke vertogen van het oude continent ingegraven.

Daartegenover staat de veronderstelde grotere authenticiteit van het directe, gesproken woord; terwijl men pers en intelligentsia geen centimeter krediet meer geeft, gelooft men elk die wat talent heeft voor camera-drama, op zijn woord. De vox populi, in de wandelgangen van de journaalredacties bekend als de vox pop, heeft de nieuwsgaring van objectieve feiten gaandeweg grotendeels overgenomen. Wat we tegenwoordig vernemen op het journaal zijn niet de feiten, maar de emoties die de feiten hebben opgeroepen bij de voorbijganger. Diens getuigenis is cruciaal; de feiten verbleken bij de directe aanwezigheid van een door emotie vertrokken gezicht. De kijker ziet niet de feiten, maar de anekdotes. Wat begonnen is als human interest eindigt in een niet aflatende rij van wisselende vaak nietszeggende getuigen met wie niemand zich nog verbonden kan voelen.

Rap en TED-talks

Er rest met andere woorden haast geen objectiviteitsaanspraak meer – het mediale woord is radicaal subjectief geworden, het spoort nog slechts met de planetaire, onmiddellijke ik-ervaring en stijgt zelden nog uit naar het niveau van een gedistantieerde analyse. Daardoor moet de huidige woordconsument/lezer eindeloos veel bronnen zelf maar zien te ordenen tot een wereldbeeld: dat zoiets nog kritisch gefilterd in gedegen artikels tot het grote publiek zou komen, lijkt nu al haast een aanslag op de authenticiteit van de hypersnelle media-democratie. Die wil alles tegelijk ongefilterd en meteen – de daarop afgestemde emoties en disputen zijn navenant. Ze veroorzaken een golf van adrenaline die dagelijks met schokken door de samenleving gaat, en die de dag erop geen sporen nalaat behalve de honger naar nog meer adrenaline.

Het opnieuw dominant worden van de orale traditie in en door de media brengt nochtans ook mooie dingen voort – rap, orale poëzie, TED-lectures, pakkende songs, het hele expressieve vertoon van en in het moment. Die momentane magie van het orale woord heeft in veel populaire middens inmiddels het aura van exclusieve authenticiteit gekregen, terwijl het geschreven woord onder verdenking is komen te staan dat het vaak niet veel meer is dan aanstellerij en zelfs oplichterij – duur doen, linkse hobby’s and all that. Deze omkering van de aloude verhouding tussen het geschreven en het gesproken woord heeft iets in zich wat we nog niet helemaal kunnen overzien. Vroeger droeg namelijk net het geschreven woord het waarmerk van authenticiteit, doordachtheid, ja zelfs van autoriteit, en waren gesproken woorden slechts woorden in de wind.

Wat men op eindeloze websites leest, heeft niet meer de waarheidsaanspraak van het ouderwetse boek; de snelle actualiteitswaarde en het getuigeniskarakter domineren nu het oordeel, de vereisten die het veeleisende literaire boek stelde, zijn vervangen door andere vereisten, die radicaal subjectief zijn, die om toe-eigening schreeuwen en om onmiddellijke instemming of afkeuring.

Precies de alomtegenwoordigheid van schier eindeloze geschreven bronnen op internet heeft hiertoe aanzienlijk bijgedragen. Omdat elke hiërarchisering van kwaliteit en niveau vervangen is door de wetten van het algoritme, kan dus ook elke tekst, hoe onzinnig ook, dezelfde waarheidsaanspraak claimen – de jonge taxichauffeur die me in Amsterdam ooit naar mijn hotel bracht, was er vast van overtuigd dat er een geheime door christenen opgezette Endlösung voor jonge moslims op komst was, hij had het op internet gelezen en een of andere Dan Brown had het ergens gezegd. Dat het hier overduidelijk over slechte overdracht van informatie gaat, kon de jongeman niet weten en hij liet zich door mij dan ook niet overtuigen; dat ik kritisch tegen zijn opinie probeerde in te gaan, deed hem duidelijk vrezen dat ik zelf tot de mondiale samenzwering van Opus Dei en zijn trawanten behoorde. Literacy zou de jongen voor zijn waanbeelden hebben kunnen behoeden, maar de waardenvrije ruimte van de huidige mediale wereld laat, althans voor de jonge generaties, die hiërarchisering van teksten haast niet meer toe.

Erdogan en Trump

We kennen allen voorbeelden van de manier waarop mensen meegesleept zijn geraakt door teksten die ze op geen enkele manier konden controleren op hun geloofwaardigheid, terwijl media en politici roepen dat je professionele journalisten en kritische schrijvers moet wantrouwen als de pest omdat ze op macht uit zijn. Nieuw rechts noemt cultureel marxisme de ondergang van de westerse beschaving – terwijl net deze cultuurfilosofische stroming waarlijk profetische analyses maakte van wat we nu beleven als de crisis van de westerse literariteit. Er hoeft namelijk helemaal geen kritisch tegenargument meer te komen; de opinie lanceren en er hard achteraan hollen volstaat. Horden jonge mensen herhalen de boodschap zonder ooit de oorspronkelijke teksten te lezen – want die zijn moeilijk, taai en omslachtig. De transmissie van de nuance loopt daardoor spaak. Van deze paradoxale verwarring profiteren de nieuwe autocraten als Erdogan, Poetin, Orban, Trump, Kaczyński, ga zo maar door. Ze teren op de verwarring die door de nieuwe tekstuele technologieën in de hoofden van de mensen is ontstaan, en vooral van het verval van de status van het oude, bedachtzame, kritisch neergeschreven woord.

Het woord is nog nooit zo snel de planeet rondgegaan als met sms, Twitter en Facebook, maar het heeft die prijs van de snelheid duur betaald: er zit zoveel ruis op de bliksemsnelle mondiale transmissie, dat het eindresultaat eigenlijk volkomen losgezongen kan zijn van elke toetsing. In feite gaat het om de strijd tussen communicatie en expressie, waarbij de communicatie verliest aan waarheidstoetsing, en de expressie aan vormkracht. Wat we daarbij inboeten is de kracht van de genuanceerde zinsbouw, en daarmee wellicht ook die van het genuanceerde redeneren.

*

Wie het geschreven woord als kritisch en reflectief medium diffameert, valt uiteindelijk meestal terug op de filosofie van het ene ware boek - daar getuigen alle fundamentalisten van, of ze nu uit de Bible Belt komen, Trump heten of salafistische dogma’s verspreiden. De afkeer van de bibliotheek vertaalt zich altijd weer in de terreur van het Ene Boek.

Goed. Tot daar de klaagzang. Maar klopt dit alles ook? Worden er niet nog steeds onvoorstelbaar veel boeken gelezen, is de leescultuur niet net aan een nieuwe hausse bezig, omdat ze past in een bepaald soort wellness-denken, een vertoog over onthaasten, over stilstaan, over quality time in en door een goed boek? Is de schrijver niet nog steeds een figuur die prestige oproept – of waarom willen anders al die derderangspolitici zo graag als schrijvers poseren? Zitten schrijvers niet in panels, discussiegroepen, produceren ze niet onophoudelijk columns, stukjes, opinies? Ja goed, maar is dat nu net niet dat eindeloze gemurmel waar Blanchot het reeds over had? Is de deelname van schrijvers op de grote media-podia niet juist het teken van het verval van het trage, bedachtzame woord, van de parabel, de allegorie, de verbeelding? Is er sprake van deelname of van uitlevering?

U ziet het, we komen er niet makkelijk uit. Het is ook niet mijn bedoeling stelling in te nemen, noch minder om een treurzang of een veroordeling uit te spreken, want dat verhoogt alleen maar de bestaande verwarring en polarisering, het gemurmel. Ik hoed me ervoor om alleen maar het aloude cultuurpessimistische deuntje te herhalen; het einde van de literatuur wordt al meer dan een eeuw voorspeld, en telkens herrijst ze net door haar crisisbewustzijn als een feniks uit haar as.

De nooit slapende wereld

Is de literatuur veranderd, is ze achteruit gegaan sinds Musil, Joyce en Proust? Daar geloof ik niets van. Er werden ook toen vooral middelmatige boeken geproduceerd, en de bestsellers van toen wil geen hond vandaag nog herlezen. Ook de oude Albert Verwey herlezen vraagt vandaag heel wat clementie van de lezer. De tijd filtert uit wat wij een objectief beeld denken te zijn. Onze historische angsten zijn ons aangepraat door de onmogelijkheid om onze eigen tijd soeverein te beoordelen. Wie leeft krijgt golven over zich heen; naar vorige periodes kijken we als vanop een strand, als de spreekwoordelijke stuurlui aan wal.

Maar het is volgens mij wél belangrijk om na te denken over de ambivalentie van elk complex cultureel fenomeen in een snelle, nooit slapende wereld. Over dat wat Flusser de multiplicity van elk fenomeen noemde: alle waarheden zijn blijkbaar tegelijk aanwezig en ze bewegen in zeer moeilijk te traceren richtingen. Terwijl ze natuurlijk wel de leefomstandigheden mee vorm geven waarin wij leven, denken, werken, liefhebben en doodgaan. De druk op het literaire denken is enorm toegenomen, en die druk zorgt zowel voor gemurmel als voor de enkele zeldzame boeken die ertoe doen. Het is aan ons om in dit eindeloze labyrint een eigen rode draad te trekken, een spoor dat betekenis en richting geeft aan wat we willen met het eigen leven in een wereld die zoveel betekenis lijkt te bieden, dat de betekenis zelf bezwijkt. De vraag naar het zinvolle bestaan in een wereld waarin het woord alles overspoelt, maar ook alles door elkaar haalt, is volstrekt anders dan de vraag naar het zinvolle bestaan van vorige generaties. In die zin heeft de informatica-samenleving onze existentiële filosofieën overhoop gehaald. Het is niet langer door een cultus van de stilte en het witte blad of de woordkarigheid van een Samuel Beckett dat het einde van de mogelijkheden van literatuur wordt gesuggereerd, niet langer door een minimalisme, maar door een maximalisme: door de woordinflatie, door de alomtegenwoordige overkill van woorden in losse contexten zonder duiding.

In een erg mooie tekst over de vraag wat het eigentijdse voor ons nu eigenlijk betekent, heeft de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben gesteld dat we de actualiteit slechts kunnen begrijpen wanneer we ons er niet door laten verblinden. ‘Slechts hij kan zich contemporain noemen die zich niet laat verblinden door de lichten van de eeuw en erin slaagt in hen een glimp op te vangen van de schaduw, van hun intieme duisternis (…) Contemporain is hij die het duister van zijn tijd waarneemt als iets dat hem aangaat en dat niet ophoudt te spreken, iets dat, meer dan welk licht ook, zich direct en uitsluitend tot hem richt. Contemporain is hij die vol in het gezicht geraakt wordt door de bundel van duisternis die zijn tijd uitstraalt (…) De sterren die wij ’s nachts zien stralen in het firmament zijn omgeven door een dichte duisternis. (…) In het duister van het heden dit licht waarnemen, dat tracht ons te bereiken maar het niet kan – dit is wat contemporain zijn betekent’.

Schrijvers monddood maken

In het proberen zien van wat er duister en onbegrijpelijk is aan onze eigen verwarrende tijd, ligt volgens Agamben de nieuwe zingeving. Het oeroude reikt daarbij de hand aan het nieuwste. Eigentijds is hij, volgens Agamben, die in het laatste snufje een spoor ziet van het eerste signaal, van een mogelijke, verre oorsprong van betekenis, een oorsprong die er feitelijk nooit is geweest, maar die in ons bestaat als een openheid, een mogelijkheid om het heden anders te beleven dan als momentane verblinding.

Dames en Heren, niets is veelzeggender wat de rol van literatuur betreft, als de paradox dat vrije samenlevingen die rol haast schouderophalend relativeren, terwijl alle totalitaire denkers geobsedeerd zijn om schrijvers monddood te maken omdat ze de vrije meningsuiting ervaren als bedreiging voor hun macht.

Misschien hadden, bij de opening van de Frankfurter Buchmesse in oktober, Lothar Müller en Chimamanda Ngozi Adichie dus beiden gelijk, en moeten we net daarom steeds weer goede redenen bedenken om de maatschappelijke relevantie van de literaire verbijzondering levend te houden. In de eerste plaats in het onderwijs: want daar wordt de burgers van morgen een mentaliteit bijgebracht die hun daden en overtuigingen zal sturen – of ze in onderdrukkende clichés of in bevrijdende nuances zullen leren denken.

Ik wil graag afsluiten met nog een gedicht.

Vanavond gaan de mieren met de sterren op café;
we liggen op de warme steen, verspreid als scherven
van toekomstige verleden tijd, en zingen zonder stem.
Daarboven is de witte navelstreng gaan gloeien in
zijn zwarte onvolvoerbaarheid; de ironie is ver,
waarheden worden doorgeseind terwijl de lippen,
hard geworden van het weten, hoog in de ruimte
zweven, vleermuisgezang van roekeloosheid omdat
niets werd opgeslagen, alles werd verspild, omdat
het altijd zo gehoord heeft, ook voor ons,
die liggen op de warme steen, verspreid en bij elkaar,
de mieren met de sterren aan het stappen
langs de hemelboog, en waar Descartes de draad
verliest zijn wij nog even een oeroud geheel, voordat
de draden knappen, wij de handen lossen,
omdat terugvinden verliezen is, en wij niet opstaan,
even nog niet, we zijn het maar we weten niet,
hoor hoe ze zingen langs de hemelrand, daar bij
de rotsen zonder water, waar de stok op onze
levens slaat en ons van dorheid redt, voor even nog,
de laatste woorden van een nieuw begin, maar zonder ons.

Stefan Hertmans, oktober 2018

    • Stefan Hertmans