Opinie

    • Frits Abrahams

Nescio vroeg om eerlijkheid

Je hebt met iemand een aardige briefwisseling en opeens vraagt hij je: „Ben je wel volkomen eerlijk over jezelf?” Geen aangename vraag, er blijkt een zekere achterdocht en scepsis uit over de zuiverheid van iemands motieven.

Kenners van het werk van Nescio zullen de vraag herkennen. Hij is te vinden in een briefwisseling van Nescio (pseudoniem van J.H.F. Grönloh, 1882-1961) met Agnes Maas-Van der Moer (1888-1975), een inmiddels vergeten schrijfster. Ik zag haar naam weer even opduiken in een recente brochure van Maurits Verhoeff over Nescio en zijn uitgevers.

Delen van de correspondentie tussen Nescio en Agnes Maas staan in het september-oktobernummer uit 1979 van het literaire tijdschrift Tirade, dat antiquarisch nog altijd verkrijgbaar is. Hun briefwisseling begon in 1919 met een briefje waarin Maas haar bewondering uit voor de verhalen De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje van Nescio: „’t Is het allerbeste dat ik de laatste jaren las; en ’t treft me misschien óók wel daarom zoo, omdat ik me in die sfeer thuisvoel en de menschen er de ruwe taal in spreken, die ik zelf spreek, wat voor een vrouw altijd erg wordt gevonden.”

Het was een belangrijk briefje voor Nescio. Hij had wel enkele positieve recensies op zijn werk gekregen, maar Maas was de eerste die hem een persoonlijke reactie stuurde. Zo begon een vriendelijk aftastende correspondentie waarin Nescio ook waardering voor haar debuut De Zwervers uitsprak: „Maar ik voelde als ik ’t zeggen mag Uw levend hart er onder kloppen en zoo iets vind ik veel aardiger dan de virtuositeit van menig ander.”

Maas moet zich nogal overvallen hebben gevoeld toen Nescio haar op 18 juli 1919 opeens schreef: „Vertelt U me eens, is U geheel zeker dat U volkomen eerlijk tegenover U zelf is? Ik geloof namelijk dat ik U geheel anders zie dan U zich ziet (…).”

In haar reactie stelt zij dat ze wel degelijk heel eerlijk is tegenover zichzelf en enkele anderen en dat hij haar kennelijk niet goed begrepen heeft. „Ik ben allang met mezelf klaar”, schrijft ze ook nog.

Dat had ze beter kunnen laten, want in een volgende brief wijst Nescio haar bars terecht: „U is al lang met U zelf klaar. Ik hou dat voorloopig voor een vergissing. Heeft U alle tegenstrijdighedens uitgevochten en verontrusten U geen afgronden en griezeligheden meer, wilt U niet meer hooger reiken dan U kunt, want dat doet geen wijze. ’k Heb een hekel aan wijzen, ze kunnen ze voor mijn part opzetten.”

Zij schrijft wéér dat hij haar niet goed begrijpt, maar het leed is geschied: ze zullen nog lang via briefjes contact houden, maar het wordt een plichtmatige activiteit.

„Jammer, dit tekort aan contact!” reageert J. Maas, haar echtgenoot, in die Tirade uit 1979. Hij noemt de vraag van Nescio ‘gevaarlijk’. „Want onvermijdelijk impliceerde deze de suggestie van on-eerlijkheid (bewust of onbewust) bij degeen aan wie zij werd gesteld.”

Het heeft iets aandoenlijks, dit verweer van de echtgenoot, vier jaar na de dood van zijn vrouw. Nescio zal de levensvisie van Agnes Maas te oppervlakkig hebben gevonden, maar zoals de Gorter-kenner Enno Endt in een nabeschouwing schreef, had hij ook wel wat ‘scheutiger’ mogen zijn voor iemand die als een van de eersten zijn talent erkende.

    • Frits Abrahams