Recensie

Janine Jansen is magisch in Vioolconcert van Sibelius

Recensie

Een formidabele Janine Jansen (●●●●●) zorgde voor vervoering in het Vioolconcert van Sibelius. De verrassing van de avond was een vitaal orkestwerk van een onbekende Zweed. Woensdagavond speelt ze in Amsterdam.

Violiste Janine Jansen tijdens een eerder optreden. Foto Bas Czerwinski

De grootste verrassing kwam dinsdagavond van een al bijna veertig jaar dode Zweedse componist. Het Symfonisk sats (1973) van de hier totaal onbekende Allan Pettersson, een grootheid in eigen land, bleek een vitaal en oorspronkelijk stuk, dat drift en drang aan vakmanschap paarde. Het begon met een vulkanische klanksculptuur, waarna een langzame passage van noeste lyriek en krioelende violen volgde. Al het geweld loste uiteindelijk op, zonder dikdoenerij, in een louterende drieklank. Pettersson schijnt nog zestien en een halve symfonie te hebben geschreven: kom maar door.

Het Symfonieorkest van de Zweedse Radio had Petterssons werk meegebracht als ouverture van een concert met Janine Jansen, de echte ster van de avond. Jansen verblijft regelmatig in Stockholm en woont dan om de hoek bij het orkest. Met chef-dirigent Daniel Harding heeft ze een bewezen muzikale chemie. Een dubbele thuiswedstrijd, zou je kunnen zeggen.

Lees een profiel van Jansen n.a.v. de Johannes Vermeer Prijs: Janine Jansen weet altijd de menselijke kern te raken

Petterssons woelingen vormden een ideale opmaat naar de geladen klankwereld van Sibelius’ Vioolconcert. ‘Sibelius’ is het enige van de grote vioolconcerten dat Jansen nog niet heeft opgenomen. Wel heeft ze het werk de laatste jaren regelmatig gespeeld en haar optreden in Eindhoven dinsdagavond leek voor te sorteren op een cd: een persoonlijke, doorleefde interpretatie zonder zwakke plekken. Harding begeleidde haar als een gentleman, maar liet waar nodig ook zijn uitstekende orkest schitteren.

Jansen, onlangs bekroond met de prestigieuze Vermeer Prijs, heeft door een hardnekkige handblessure tijdelijk minder concerten gegeven, maar van slijtage of onwennigheid was geen sprake. Vanaf de eerste inzet was er de magie van haar toon, vol samengebalde emotie en energie. Zonder voorbehoud dook ze in de machtige cadens van het eerste deel, om in de opening van het Adagio ronkend tegen de hoorns aan te schurken. In het slotdeel klonk Jansen flamboyant en verleidelijk, maar ook ziedend rauw, met het mes tussen de tanden. En bij alles zorgde ze voor opperste vervoering: hoed af.

    • Joep Stapel