Recensie

Het sex-appeal van de hoekige wereld

Tentoonstelling Op een megatentoonstelling in twintig zalen van het Centre Pompidou in Parijs wordt schitterend uiteengezet hoe het kubisme een wereldmerk werd.

Fernand Léger, La Noce, 1911. Olieverf op doek, 257 x 206 cm. Foto Centre Pompidou/ADAGP, Parijs

Geen avant-garde is compleet zonder een beetje spot. Het was herfst 1912 en de meer oplettende Parijzenaars wisten er al van: er broeide iets nieuws in de kunst, het kubisme. Dat was het jaar ervoor al te zien geweest op een salon – zo’n traditionele Parijse tentoonstelling waar elke kunstenaar zijn beste kunnen liet zien. Exposanten als Fernand Léger, Jean Metzinger, Robert Delaunay en Le Fauconnier toonden enorme schilderijen waarop elk onderwerp was ontleed in facetten, scherven, als kleurrijk versplinterd glas. Die herfst gingen ze nog een stapje verder. Ze exposeerden in een compleet kubistisch interieur tussen hoekige schouwen en plafondornamenten – dat ging velen te ver. Een komiek maakte een satirisch filmpje. Verkleed als kubist loopt hij daarin langs een soort schots en scheef kleuterkubisme en hult zijn vrouw in vierkante dozen, anders kan hij haar niet portretteren. Goede aangevers voor slapstick, die gekke avant-gardes.

Kleur, weelde, satire, het barst allemaal los in zaal zes van Le Cubisme, een megatentoonstelling in Centre Pompidou. Het is de eerste grote kubismetentoonstelling in Parijs sinds 1953, en groot is hij zeker. Driehonderd kunstwerken waaronder bekende topstukken zijn traditioneel chronologisch opgesteld. In zo’n twintig zalen vertellen ze over grofweg de periode 1907-1917. Tien jaar slechts, maar wel beslissende én schizofrene jaren. Want na vijf zalen studieuze bruin-grijze schilderijen van grondleggers Braque en Picasso, lijkt de feestelijke zaal zes een invasie uit een andere stroming. Is dit ook kubisme? Ja, ook, en daar mochten Picasso en Braque dankbaar voor zijn – want gaande deze blockbustertentoonstelling vraag je je af of ze het wel zouden hebben gered zonder zulke extraverte vrienden.

Want wat begon het allemaal klein en anders. Twee vrienden, Picasso en Braque, waren in hun kunst op zoek gegaan naar nieuwe wegen. Om zich heen kijkend vonden ze inspiratie bij Oceanische en Ivoriaanse kunst – al in 1906 portretteerde Picasso Gertrude Stein alsof haar gezicht een Ivoriaans masker was. En ze vonden inspiratie bij Cézanne. Vooral Braque viel voor diens motto ‘beschouw de natuur als een verzameling van bollen, kegels en cilinders’ en pakte het radicaal analytisch aan. Zo ging het duo alle onderwerpen ontleden, stileren, en zat vanaf 1909 elke dag bij elkaar: een schilderij was pas af als de ander het goedkeurde. Samen maakten ze de wereld hoekig, geometrisch. Diepte verdween. Herkenbaarheid loste op. Kleur ging eruit. Het is dat Picasso een roze en blauwe periode had gehad, anders zou je nog – serieus – kleurenblindheid vermoeden. Stukje bij beetje sloopten ze alles wat ertoe deed in de kunst, ook schoonheid. Matisse noemde Braque de maker van kleine kubusjes (en nee dat was niet aardig bedoeld) maar voilà, bij een avant-garde hoort een geuzennaam.

Albert Gleizes portretteerde zijn zwager met hoekige kaaklijn – het kubisme maakte niet per se onknap

Iets meer schwung graag

Zo kwam dat tweetal tot bruine rasters, contouren die niets meer vasthouden, zelfs geen kleur. Wat zou je graag willen dat zo’n belangrijke kunststroming er wat mooier uitzag, iets meer schwung of elegantie of wat dan ook. Maar nee. Het is kaal, analytisch, streng. Abstraheren gebeurde natuurlijk overal. Maar De Stijl deed dat om tot een hogere spiritualiteit te komen. De futuristen braken af om de weg vrij te maken voor een hypermoderne toekomst. Maar bij het kubisme resteren geen denkbeeldige vergezichten. Enkel grids. Wonderlijk dat juist deze stroming het schopte tot sterrenstatus.

Goeddeels kwam dat door die salons, met alle rumoer. In La Noce (1911) abstraheerde Léger een bruiloftscène als een wervelwind vol grandeur, maar een criticus vond het meer een plakje zult met pistachenoten. Albert Gleizes portretteerde zijn zwager met hoekige kaaklijn – het kubisme maakte niet per se onknap – omringd door een kubistische abstractie. Zelfs bij Picasso en Braque, die niet eens mee wilden doen met de salons, zie je iets ontdooien. Na vijf jaar hardcore analyse, ontstond bij hen ruimte voor iets nieuws, voor opbouw. In 1911 en 1912 gingen ze letters invoegen, stukjes krant, een stoelzitting – de eerste readymades. Abstracties werden collages en vervolgens assemblages, met ook weer nieuwe vormen.

Pablo Picasso, Guitare, 1914. Metaal, 77,5 x 35 x 19,3 cm. Foto MoMA New York/Scala, Florence

En daaraan lijk je maakplezier te kunnen aflezen – iets wat in die vroege eerste zalen moeilijk te vinden is. Picasso’s Guitare uit 1913 bijvoorbeeld is een elegante assemblage van karton met ruimte, lucht, spel. In 1914 gingen er geruchten dat absint verboden zou worden – paniek alom – en ontwierp Picasso hoekige keramische absintglaasjes met echte lepeltjes. Zo liet hij twee realiteiten versmelten, prachtig kunstzinnige paringsdansjes.

Zinderende lichtcirkels

Nog steeds verkeerden Picasso en Braque in goed gezelschap. De swingende sculpturen van Henri Laurens – clowns, danseressen, half machine – zijn met hun hoekige sex-appeal absolute hoogtepunten. Humoristische grilligheid en elegantie kenmerken deze tweede kubistische fase, te zien op nieuwe salons in 1913 en 1914. Drie, vier, vijf meter hoog lijken de doeken een wedloop alsof het eigenlijke einddoel van de kubisten het Guinness Book of Records was in plaats van het pantheon der kunsten. Maar mede door die afmetingen tonen de zinderende lichtcirkels van Sonia Delaunays Prismes Électriques dat abstracte kunst de ultieme ode aan moderniteit was. Haar man Robert werkte de hoogte in met een stadsgezicht met billboard en Eiffeltoren in de pastelblokjes die je nu verkoektrommeld en wel in de citybranding van Parijs ziet. Zo werd het kubisme een wereldmerk.

Robert Delaunay, L’équipe de Cardiff, 1912-1913. Olieverf op doek, 326 x 208 cm. Foto Roger-Viollet

Maar dat kwam niet alleen door de salons. Ook een donkere factor speelde mee: de Eerste Wereldoorlog. In 1914 brak de wereld in stukken als een kubistisch schilderij. Het was alsof deze kunst een glazen bol was geweest. Dreigend zwart glanst het beeld Le Cheval Majeur dat Duchamp-Villon in 1914 net voor de oorlog had ontworpen, een gepantserd machinedier dat zich wapent voor de gruwelijke loopgraven. ‘De academie van het kubisme’ noemde Léger het front in Verdun waar hij zijn medesoldaten portretteerde als geometrische vormen, alles in stukken, ontmenselijkt door de wereldbrand.

Schoonheid zou niet meer kunnen. Dada zou deze nog meer afzweren dan het kubisme deed. Braque raakte gewond, anderen stierven, Picasso diende niet in het leger en werkte solitair door aan doeken waar kleur, vorm, vleugjes kubisme, assemblage, een zetje extra krijgen. Zo werd hij een groot kunstenaar: op de schouders van een radicaal talent (Braque), omringd door swingende collega’s (de salons), in een tijd dat de avant-garde werkelijkheid wordt (oorlog). Alles gaat aan gort, Picasso blijft schilderen en gaat de boekjes in als de grootste kubist. Eén die het geluk had om op het juiste moment op de juiste plek te zijn. En bovenal, tussen de juiste mensen.

    • Sandra Smets