De oorlog baart nieuwe woorden

Ewoud Sanders

De meeste oorlogen laten sporen na in een taal. Zeker op korte termijn, soms ook op langere. En niet alleen in de talen van de betrokken partijen, maar ook daarbuiten.

Nederland bleef neutraal tijdens de Eerste Wereldoorlog. Maar in de zomer van 1914 werden 200.000 Nederlandse mannen onder de wapenen geroepen: de mobilisatie. En dat najaar werd Nederland overspoeld door één miljoen Belgische vluchtelingen.

Dit alles leidde niet alleen tot een stroom aan mobilisatieliederen („Een stroozak is de beste kameraad/ van een goed soldaat”), maar ook tot veel neologismen. „Nu sedert maanden de oorlog woedt en men oorlogsberichten dagelijks te lezen krijgt”, schreef Th. Kuyper begin 1915 in het tijdschrift Vragen van den Dag, „worden de oorlogswoorden of militaire benamingen nog meer dan anders gemeengoed.” Kuyper beperkte zich vooral tot de verklaring van militaire benamingen als grenadier, fuselier en ulaan, maar hij schreef ook: „Een heel nieuw oorlogswoord is torpedo.”

In de jaren daarna besteedde vooral het tijdschrift De Nieuwe Taalgids aandacht aan wat „Oorlogswinst der Nederlandse taal” werd genoemd. Dat gebeurde na een oproep, in 1917, van de Utrechtse taalkundige dr. E. Slijper. „Men kan van ons, die de nieuwe woorden zien geboren worden”, aldus Slijper, „eisen dat we hen als dokumenten voor de geslachten die komen in de Registers van de Burgerlike Stand inschrijven, goed gedateerd, liefst met de herkomst erbij.”

Slijper zelf noteerde ruim honderd neologismen. In dagbladadvertenties vond hij woorden als broodkaart, oorlogsbrood en talloze samenstellingen met regeering-, zoals regeeringsbrood, -honing en -meel. Letterlijk betekende regering- hier ‘door de overheid op de bon verstrekt’, maar de overdrachtelijke betekenis was ‘van (zeer) slechte kwaliteit’.

Uit oorlogsverslagen in kranten haalde Slijper woorden als duikbootjager, gasaanval, gasmasker, luchtgevecht, tank, vlammenwerper, Zeppelin-raid en vliegeractie. Bij dat laatste woord schreef hij: „Heeft met een speelgoed-vlieger niets te maken.” Vliegeractie dook in 1915 voor het eerst op en werd nog lang gebruikt voor ‘luchtaanval’.

Slijpers interessantste taalobservaties hebben betrekking op „het maatschappelik leven”. Hij beperkte zich hierbij niet tot het signaleren van nieuwe woorden als vluchtelingen- en interneringskamp, maximum- en minimum-prijzen, kolennood en zomertijd, maar sprak ook het vermoeden uit dat de mobilisatie tot ‘dialectvermenging’ zou kunnen leiden. „De kans bestaat dat het zuivere Brabants niet langer onvermengd, maar met Amsterdamse a’s en o’s en zonder n’s op het einde der woorden zal klinken. Omgekeerd zullen de jongens uit de Ommelanden het onvervalste Amsterdams mee naar huis brengen en de noordelike provincies besmetten.”

Tot de succesvolste neologismen uit WOI behoren hamsteren en eenheidsworst – beide kwamen in deze rubriek al eens ter sprake. Tot de indrukwekkendste de gelegenheidssamenstellingen die laten zien hoeveel leed de oorlog ook hier veroorzaakte: broodrelletjes, hongerdemonstratie en distributiewee.

Natuurlijk waren er ook mensen die misbruik maakten van de honger en schaarste. Er werd op grote schaal gesmokkeld door lieden die onder meer oorlogshaaien en oweeërs werden genoemd, van ‘O.W.’ (oorlogswinst). Terwijl anderen honger leden, lieten zij de champagnekurken knallen. De overdrachtelijke betekenis van oweeër werd ‘nieuwe rijke, zonder beschaving’.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders
    • Ewoud Sanders