Overal in Nederland worstelen gemeenten met vuurwerk

Vuurwerkbeleid

Wordt het een verbod, een show of toch een enquête? Het kabinet laat gemeenten zelf beslissen over het vuurwerk op Oudejaarsavond. Gaat dat werken? „Je krijgt een waterbedeffect en grenstoerisme.”

Het was 26 graden op de dag dat de gemeente Heumen de eerste oproep deed. „Nu het vakantie is, lijkt de jaarwisseling nog ver weg”, begon het bericht op de site. Toch was volgens de gemeente in Gelderland 17 juli een goed moment om het over Oud en Nieuw te hebben: „We begrijpen goed dat het onderwerp vuurwerk veel discussie oplevert. Het zou goed zijn als dit niet achteraf plaatsvindt, maar juist vooraf.”

Vandaar de oproep om buurtgenoten alvast „op te zoeken” om „afspraken te maken” over waar, hoeveel en welk vuurwerk men zou willen afsteken. „Voor we het weten is het namelijk december.”

Praten over vuurwerk: het gebeurt vaker en op meer plekken. In een paar jaar tijd heeft vuurwerk zich ontwikkeld tot een landelijke splijtzwam, waar politici omzichtig omheen bewegen. Even leek er een verbod te komen, nadat de Onderzoeksraad voor Veiligheid vorig jaar het advies gaf knalvuurwerk en vuurpijlen voor consumenten te verbieden.

Maar het kabinet besloot deze zomer anders, vanwege „onvoldoende draagvlak”. Een vuurwerkverbod ligt gevoelig. Ook in de coalitie, die verdeeld is in sceptici (D66, ChristenUnie) en rekkelijken (VVD, CDA). De eerste twee partijen kregen in juni wel steun voor een motie die het gemeenten mogelijk moet maken zelf een verbod in te voeren.

Voor dit jaar is die wetgeving nog niet rond. Zodoende moeten gemeenten die een vuurwerkvrije zone instellen daarvoor nog een stevige argumentatie aanvoeren om voor de rechter stand te houden. Veel gemeenten zijn sceptisch over de effectiviteit van lokaal vuurwerkbeleid. „Wij hebben altijd gezegd: een verbod werkt alleen op landelijk niveau. Anders verplaats je het probleem”, zegt een woordvoerder van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Vuurwerk staat hoe dan ook op de lokale agenda, soms door de landelijke discussie, soms omdat burgers zich roeren of omdat partijen in de gemeenteraad het aankaarten. Het betekent polderen, wikken en wegen, in een discussie die het land steeds meer lijkt te verdelen. Dit zijn de manieren waarop gemeenten met vuurwerk willen omgaan.

Lees ook: ‘Alleen met verbod minder slachtoffers’

Er verandert nog niks

In veruit de meeste gemeenten verandert voorlopig niets. Omdat het lokale bestuur strengere wetgeving niet nodig of zelfs ronduit onzin vindt. Bijvoorbeeld in Schagen (Noord-Holland), waar in een paragraaf in het coalitieakkoord deze „moderne vorm van betutteling, die veel charmante kanten van onze samenleving zal vervlakken” wordt gehekeld. „De gemeente mengt zich niet in discussies over traditionele feestdagen.”

Andere gemeenten zijn minder stellig, maar burgemeesters of wethouders zeggen niet de mogelijkheden te hebben een plaatselijk vuurwerkverbod te handhaven. „Je krijgt een waterbedeffect en grenstoerisme”, reageerde de Doesburgse burgemeester Loes van der Meijs onlangs in de Gelderlander. Ze zei, net als veel collega-burgemeesters, het jammer te vinden dat er geen landelijke regeling komt. Het Nederlands Genootschap van Burgemeesters sprak zich eind vorig jaar al uit voor een verbod op knalvuurwerk.

Vuurwerkvrije zones

Hilversum had in 2015 de primeur met het eerste vuurwerkvrije gebied, inmiddels hebben tientallen gemeenten zones waar een verbod geldt. Omdat vuurwerk afsteken op Oudejaarsavond in principe overal mag, moet een gemeente wel kunnen aantonen dat er gevaar, schade of overlast dreigt. In Rijssen-Holten in Overijssel worden bijvoorbeeld de gebieden rondom kerken ontzien, zodat inwoners ongestoord de Oudejaarsdienst kunnen bezoeken. In het Brabantse Geertruidenberg werd onlangs een motie aangenomen die vuurwerk rond verpleeghuizen verbiedt. Uitzondering is de gemeente Middelburg, waar dit jaar juist minder vuurwerkvrije zones zijn dan vorig jaar. De overlast is te klein om de zones te blijven handhaven.

Opvallend is dat het lokaal sterk uiteenloopt welke partij zich inzet voor een strenger vuurwerkbeleid. Vaak zijn dat GroenLinks en de Partij voor de Dieren, die zich ook landelijk uitspreken tegen vuurwerk. ChristenUnie en de SGP strijden lokaal vaak voor een verbod. D66 zet zich in voor strengere regels in bijvoorbeeld het Gelderse Lingewaard, de SP doet dat in Purmerend. In het Brabantse Halderberge zijn het de christendemocraten die in de gemeenteraad vuurwerk aan de orde blijven stellen.

Vrijwillige zones

Een alternatief voor een plaatselijk verbod bleek de afgelopen jaren de vrijwillige vuurwerkvrije zone te zijn. Bewoners kunnen dan met elkaar besluiten hun straat of wijk vuurwerkvrij te verklaren. Van de gemeente krijgen ze meestal alleen een paar borden, het verbod handhaven moeten burgers zelf doen. Dit soort zones zijn bijvoorbeeld aangekondigd in Tilburg, Almere en Delft, maar ook in Borne, Zoetermeer en Oegstgeest. Het Gelderse dorpje Leur (circa 130 inwoners) heeft zichzelf, vrijwillig, volledig vuurwerkvrij verklaard, op initiatief van een inwoner. Op het stukje in het noordwesten van de gemeente Wijchen hangen komende jaarwisseling weer tientallen borden: „Met respect voor mens en dier, knallen doe je niet hier”.

Noem het een vorm van burgerparticipatie, waar gemeenten graag gebruik van maken. In de Gelderlander sprak burgemeester Joris Bengevoord van Winterswijk – tegenstander van een verbod – onlangs de hoop uit dat burgers elkaar aanspreken op asociaal vuurwerkgedrag. „Net zoals mensen dat doen als iemand een papiertje op straat gooit of de hond laat poepen zonder het op te ruimen.”

Het actiefst is waarschijnlijk Heumen. Daar worden bewoners al maanden gestimuleerd met elkaar in gesprek te gaan over vuurwerk. Ze worden gevraagd goede ideeën bij de gemeente te leveren om er „een mooi feest voor iedereen” van te maken. Het beste buurtinitiatief kan op Oudejaarsavond „misschien wel iets als een portie bitterballen van de burgemeester” krijgen, aldus een woordvoerder.

In Enschede werd vorig jaar een zogeheten G1000 over het onderwerp georganiseerd. 1000 inwoners gingen met elkaar in gesprek over vuurwerk. De uitkomst was het instellen van vuurwerkvrije zones, een oplossing die dit jaar wordt herhaald.

Hoe gevoelig het thema soms kan liggen, is te zien in Apeldoorn. Het voorstel van onder meer GroenLinks en D66 was nog vrij bescheiden: bewoners zouden zelf vrijwillige vuurwerkvrije zones mogen aanvragen. Maar zelfs die motie haalde het uiteindelijk met één stem verschil niet. Ook de ChristenUnie stemde tegen: zij zijn voorstander van een ‘echt’ verbod.

Lees ook: De romantiek van vuurwerk is eraf

Meningen peilen

De discussie nog even uitstellen is voor veel gemeenten ook aantrekkelijk, omdat eerst moet worden geïnventariseerd hoe bewoners over het onderwerp denken. Landelijk blijkt uit peilingen dat een meerderheid van de Nederlanders voorstander is van een verbod op de vrije verkoop van knalvuurwerk en vuurpijlen.

Soms loopt de scheidslijn tussen voor- en tegenstanders van vuurwerk letterlijk door een gemeente. In het Brabantse Geldrop-Mierlo bleek bij een enquête 52 procent van de inwoners van Geldrop vóór een vuurwerkverbod, terwijl een meerderheid (54 procent) in Mierlo juist tegen was. Voor en tegen-standers houden elkaar in evenwicht.

Vuurwerkshows

Veel gemeenten onderzoeken de mogelijkheden van het organiseren van een vuurwerkshow, in de hoop dat de overlast daarmee afneemt. Ook betere voorlichting op scholen komt in de debatten vaak voorbij om de overlast terug te dringen.

Er zijn ook gemeenten die haast niet kunnen wachten tot een plaatselijk verbod mogelijk is. Amsterdam en Rotterdam kondigden onlangs aan vanaf volgend jaar het afsteken van vuurwerk alleen nog op een specifiek aantal plekken toe te staan. Ook Heemskerk gaat dat onderzoeken. In Leiden werd deze zomer een motie van de Partij voor de Dieren aangenomen met een stappenplan om „nog tijdens deze collegeperiode een vuurwerkvrij Leiden te realiseren”.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Clara van de Wiel