Hars hield afgehakt hoofd herkenbaar

Keltische cultuur Ingesmeerd met hars bleef het afgehakte hoofd van de vijand langer herkenbaar. Dat was beter voor de eer van Keltische krijgers.

Afgehakte hoofden op relief uit de tweede eeuw v.Chr. uit Entremont (Provence). Foto Leemage/UIG via Getty Images

Gallische krijgers hakten de hoofden van hun vijanden af en namen die als trofee mee naar huis. Ze behandelden de belangrijkste exemplaren met hars, zodat die beter bewaard bleven. We kennen deze mummificatiepraktijk uit de klassieke literatuur, maar verder bewijs ontbrak tot op heden. Onderzoekers van de universiteit van Avignon hebben nu echter voor het eerst de aanwezigheid van balsemmiddelen vastgesteld op schedelresten die zijn aangetroffen in een Zuid-Gallische nederzetting. Ze publiceerden er vorige week over in het Journal of Archaeological Science.

De Keltische stammen die leefden in het gebied dat het huidige Frankrijk beslaat, waren in de Oudheid berucht. Griekse en Romeinse reizigers die door deze streken trokken, kwamen thuis met gruwelijke verhalen die hun weg vonden naar het werk van klassieke auteurs als Livius, Polybius en Strabo.

Zo spreekt de Griek Strabo in zijn Geographika (begin eerste eeuw na Christus) over de „barbaarse en exotische” gewoonte van Gallische krijgers om het slagveld te verlaten met de afgehakte hoofden van tegenstanders bungelend aan de nek van hun paard. „Thuisgekomen spijkeren ze dit schouwspel aan de toegang van hun woningen. […] Poseidonius, die het zelf zag in Gallië, walgde ervan, maar schrijft dat hij er na een tijdje aan gewend raakte. De hoofden van tegenstanders met een grote reputatie balsemen ze met cederolie en laten ze zien aan iedere voorbijganger. Ze zouden er nog geen afstand van doen voor een losgeld van het gewicht van het hoofd in goud. […] Maar de Romeinen hebben daar een einde aan gemaakt, zoals ook aan de offers die tegen onze gewoonten ingaan.”

Archeologen hebben voor die praktijk van het onthoofden al eerder bewijzen gevonden. Bij de nederzetting Entremont in de Provence is een beeldje opgegraven van een ruiter die een afgehakt hoofd heeft vastgemaakt aan de nek van zijn paard, precies zoals Strabo het omschreef. Op andere plekken in Zuid-Frankrijk zijn talrijke schedels aangetroffen, sommigen met de spijkers er nog in waarmee ze aan een deurpost waren genageld.

In sommige schedels zaten nog spijkers waarmee ze ooit waren vast genageld

Schraapsporen

De archeologen van de universiteit van Avignon deden hun onderzoek nu aan botmateriaal dat is gevonden in de nederzetting Le Cailar, gelegen aan de monding van de Rhône tussen Marseille en Montpellier. De stukjes schedel bevonden zich bij een poort in de omheining van het dorp. Aan de hand van potscherven en munten die in de buurt lagen begraven, stelden de onderzoekers vast dat de menselijke resten afkomstig waren uit de derde eeuw voor Christus. De schedels waren bewerkt om te worden tentoongesteld: schraapsporen duiden op de verwijdering van de hersens en de tong uit de hoofdholte.

De archeologen onderzochten elf schedelfragmenten door middel van gaschromatografie. Bij deze methode worden de verschillende moleculen waaruit een materiaal bestaat in gasfase van elkaar gescheiden en geïdentificeerd. Op zes van de elf botresten troffen ze abietinezuur aan, een stof die voorkomt in coniferen. Het gaat dus niet om cederolie, zoals de oude Grieken en Romeinen dachten, maar de auteurs van het artikel vinden dit een logische vergissing omdat de geur van deze olie overeenkomt met die van coniferenhars.

De hars zat op fragmenten uit de voorkant van de schedel. Dat kan erop wijzen dat men vooral geïnteresseerd was in het zo lang mogelijk herkenbaar houden van het gezicht van de overwonnen tegenstander.

De archeologen weten niet precies hoe de krijgers hun trofeehoofden prepareerden, schrijven ze. Het is mogelijk dat de schedels werden ondergedompeld in een vat verhitte hars, maar het zou ook kunnen dat ze werden ingesmeerd met behulp van een soort kwast. Resten van zulk gereedschap zijn echter niet aangetroffen op de vindplaats. Verder onderzoek moet uitwijzen welk percentage van alle afgehakte hoofden op deze wijze is behandeld.

Coniferenhars werd ook elders in het Middellandse Zeegebied gebruikt als balsemmiddel. In Egypte werden al in 3700 voor Christus menselijke resten met deze hars gemummificeerd.

    • Bart Funnekotter