Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Lezer

Ik was gevraagd om voor te lezen op de Nacht van NRC in De Doelen in Rotterdam. Leuk dat directe contact met lezers, al was het wel zo dat er één lezer tussen zat die ik inmiddels voor de vierde keer sprak. Hij frequenteerde NRC-evenementen en logeerde voor deze gelegenheid in hetzelfde hotel als de meeste sprekers. We spraken elkaar in Utrecht over een gedicht dat hij aan mijn vriendin had gestuurd. (Zij schrijft columns voor een andere krant, ze organiseren daar ook weleens wat en daar is hij dan ook). Hij verkeerde in de veronderstelling dat het boven ons bed hing.

Dat is niet zo.

De laatste keer dat we elkaar spraken was bij de viering van honderd jaar Fokke & Sukke. Wat vond ik van de koers van de krant? Wat was verder mijn visie? Had ik zijn visitekaartje al? Hoe was het met de vriendin? Hield ik van bier?

Ik zei dat ik het een goede koers vond.

Even later kreeg hij de hoofdredacteur in het vizier.

Zaterdagavond was hij er weer.

Ik stond mezelf een beetje op te warmen in de catacomben, toen ik hem al zag zitten op de eerste rij, bretels over de blouse. Hij knikte bij het opkomen nadrukkelijk met het hoofd, alsof hij wilde zeggen: ik ben er ook weer. Gekke gewaarwording: ik had de neiging om te zwaaien. Toen Japke-d. Bouma en ik een half uur later klaar waren was hij de eerste om de schade op te nemen.

„Ik vind uw punchline op papier vaak goed, laat u aan het eind een stilte vallen, dan hoeft u niet af te sluiten met ‘dit was het’.”

Hij had natuurlijk gelijk.

Later die avond – een opvarende van de NRC-cruise vertelde me dat het op de Adriatische Zee was alsof de deining aan boord twee keer heftiger werd als ‘de geweldige Krielaars’ ’s avonds een lezing gaf – onderbrak hij een gesprek met: „Marcel, wat drink jij ook alweer?”

Bier inmiddels.

De volgende dag troffen we elkaar eerst in de lift van het hotel, ik was op weg naar het ontbijt, hij was al geweest en kon de scrambled eggs aanbevelen, en later in de trein naar Amsterdam waar hij in de eerste klas schuin tegenover me ging zitten. Ik zette me aan deze column, hij was blij met dit extra ‘kijkje in de keuken’. Als ik opkeek zag ik ’m tenminste bemoedigend knikken. Bij station Sloterdijk besloot ik te gaan verzitten. Ik dacht: laat ik maar eerlijk zeggen dat ik een acute blokkade heb dan heeft hij dat ook nog meegemaakt.

„Tot morgen”, zei hij.

Ik: „Tot morgen!?”

Hij: „Ja, dan zien we elkaar in de krant.”

Toch gerustgesteld.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen