Groene obligaties: nu nog klein, maar erg in trek

Deze rubriek belicht iedere maandag ontwikkelingen rondom beleggen. Deze keer: groene obligaties.

De Spaanse oliemaatschappij Repsol maakte zich vorig jaar schuldig aan greenwashing, een gevaar dat bij duurzaam beleggen op de loer ligt: het plakken van het label ‘groen’ op een obligatie om de interesse te vergroten. Foto Mauritz Antin

Wie dacht dat het debat over klimaatverandering enkel in de politiek wordt gevoerd, heeft iets nieuws om in de gaten te houden: de obligatiemarkt. Groene obligaties worden steeds populairder. De Nederlandsche Bank berekende dat het bedrag dat in zulke duurzame bedrijfs- en overheidsleningen uitstond, sinds vorig jaar is verdubbeld tot 20 miljard euro. Eerder deze maand kondigde minister Wopke Hoekstra (Financiën, CDA) al aan dat ook de Nederlandse staat vanaf volgend jaar tussen de 3,5 tot 5 miljard aan groene staatsobligaties gaat uitgeven.

Een belangrijk signaal, zo zegt hoogleraar Banking en Finance Dirk Schoenmaker van de Rotterdam School of Management. „Het is mooi dat de Nederlandse overheid deze stap zet. Beleggers willen investeren in de toekomst, niet in het faillissement van organisaties die niet veranderen. Want of de belangrijkste energiebron straks zonne- of windenergie wordt, is nog niet zeker; wat wel vaststaat is dat de ‘fossielen’ het gaan verliezen.”

Analisten zien veel vraag naar groene obligaties, niet in de laatste plaats omdat iedereen bij dit soort duurzame investeringen lijkt te winnen. Beleggers maken met hun investering de wereld beter, terwijl de rendementen niet heel veel lager liggen dan bij ‘grijze’ obligaties. De overheid of het bedrijf dat de obligatie uitgeeft, kan ze bovendien duurder in de markt zetten. „Als je het zo bekijkt, ga je je haast afvragen waarom niet elke belegging groen is.” Joost Beaumont, obligatieanalist bij ABN Amro, maakt zijn eigen stelling af: „En dat komt doordat de belangrijkste vraag blijft: wanneer is iets groen?”

Het gevaar dat bij duurzaam beleggen op de loer ligt is greenwashing, ofwel dat het label ‘groen’ op een obligatie wordt geplakt om de interesse te vergroten. Zo geeft de Indonesische overheid groene obligaties uit, terwijl ze volop meewerkt aan de kap van tropisch regenwoud. Polen, dat 80 procent van zijn energie uit kolencentrales haalt, biedt ze ook aan. Ook op bedrijfsniveau gebeuren gekke dingen: vorig jaar kondigde de Spaanse oliemaatschappij Repsol plannen aan om een groene bedrijfsobligatie uit te geven voor de financiering van energiezuinige boorplatformen.

Om beleggers enig houvast te bieden, wordt op dit moment de definitie ‘groen’ nog vastgesteld volgens een raamwerk van de uitgevers zelf, de zogeheten Green Bond Principles. Die zijn relatief ruim en vrijblijvend. De Europese Commissie werkt aan strengere regels over wat er onder ‘groen’ wordt verstaan. Het is nog onduidelijk hoe dat eruit gaat zien en welke toezichthouder gaat controleren.

Nog een bijkomstig voordeel: groene obligaties zijn stabieler, zegt Joost Beaumont van ABN Amro. „Groene beleggers zijn meestal niet geneigd om direct te verkopen zodra het even tegenzit. Vooral bedrijfsobligaties worden als vast onderdeel in portefeuilles meegenomen.”

Wat de groene obligaties van Hoekstra betreft, is het de vraag wat er met het opgehaalde geld wordt gedaan. Schoenmaker: „Het wordt pas interessant als de overheid in nieuwe ontwikkelingen investeert. Als alleen in bestaande groene projecten wordt geïnvesteerd, schiet het niet op. Dan ben je bordjes aan het verhangen.”

    • Sjoerd Klumpenaar