Opinie

    • Marjoleine de Vos

De ongewone waarheid is de echtste

Wat is de menselijke verbeeldingskracht toch iets wonderlijks. Iemand schrijft een paar eenvoudige zinnetjes: „De Middellandse Zee? Mag ik mee?” en een ander spreekt ze uit. Die ander is een actrice van in de vijftig en ze zegt die woorden zo gretig en verwachtingsvol dat je het hele opgekropte verlangen van een meisje in de provincie erin voelt en alleen maar wilt dat die man met die scooter ‘ja’ zegt. Hij zegt het. Heerlijk! Maar even later is alles anders. Dan is het zusje van dat reislustige meisje zwanger, maar dat zusje zal juist gaan studeren. En we horen het eerste meisje zeggen: „Ik ga voor het kind zorgen”, en je ziet heel die reis van haar, dat verlangen, die scooter, die toekomst, iets ánders dan het hotel van haar vader in Hoogezand-Sappemeer, in duigen vallen.

Je zit op een houten tribune in een houten loodsje in Ten Boer, je kijkt naar het eenvoudige decor en de acteurs die tussendoor rondlopen of die even uit hun rol moeten omdat er iemand onwel is geworden, en toch ben je diep ontroerd. Om dat meisje. Om alles.

‘Alles’ was in dit geval het locatietheater Gas. Het verhaal van een vluchtige bodemschat, geschreven door Tjeerd Bischoff voor toneelgroep Jan Vos. De actrice die het hele stuk draagt heet Trudi Klever, we zien haar als de gretige jonge Bette in 1960, als de getrouwde sloof Bette die in 1978 nog altijd wel eens droomt van iets vrolijks – „In Groningen is nu een bistro waar je stokbrood met echte Franse kruidenboter krijgt. Je eten wordt geserveerd op een houten plank. Waarom eten wij nooit van een houten plank?” – en als oude vrouw in 2014, nog steeds zorgend en slovend, in het onverkoopbare hotel waar de scheuren in de muren zitten. Aardbevingsschade.

Het verhaal van het gas bepaalt op allerlei manieren de levens van de eenvoudige hotelmensen (de man die het zusje zwanger heeft gemaakt is iemand van Shell), maar het stuk gaat eerder over levens dan over gas. Al zijn die twee nogal met elkaar verknoopt. Hoe men dacht rijk te zullen worden – „De zilvervloot. We zitten er recht met onze kont bovenop” – en hoe in plaats daarvan Groningen tot de armste streek van het land werd, zodat de mensen de rekening van dat nieuwe gas niet eens meer konden betalen. Met als sluitstuk de huidige situatie, met kapotte huizen en eindeloos gedrens en getraineer bij schade-afhandeling.

Daar heeft het stuk ook een fijne scène over, als er een schade-expert van de NAM komt om de scheuren in het hotel op te nemen. Er zijn al eerder deskundigen geweest, er zijn al dikke rapporten gemaakt over die scheuren, er is al vastgesteld dat het om bevingsschade gaat, maar, zoals dat gaat, dat zijn ‘oude schades’ en die zijn ‘afgesloten’ dus ‘vanuit mijn perspectief is dit een nieuwe schademelding’. En jawel, de scheur is nu weer ‘een krimpscheurtje’, dan wel ‘zettingsschade’ die buiten het protocol valt en een en ander is heel makkelijk te verklaren ‘zonder er meteen een aardbeving bij te halen’.

In Ten Boer lachte het publiek; ze kenden dit allemaal wel, en toen de getergde bewoner de auto van de schade-expert met een brandblusser in elkaar timmerde voelde dat als een opluchting.

Het is heus niet dat alles perfect was op dat toneel, of nooit eens flauw, of altijd briljant gespeeld. Maar vaak wel. Vaak was het gewoon de waarheid, nee: ongewoon de waarheid, de ingedikte, verhevigde, verbeelde waarheid, de aller-echtste die er is.

Kwestie van er kunst van maken.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.
    • Marjoleine de Vos