Recensie

Loepzuiver gregoriaans én een schuimend bierlied

Recensie

November Music sloot af met een weekend boordevol nieuwe composities, jazz en wereldmuziek. De eigenzinnige opera Hildegard was een hoogtepunt.

Psalm 151 van Boudewijn Tarenskeen. Foto Paul Janssen

Het slotweekend van November Music kende opvallend veel ‘spirituele’ premières – doorgaans niet het domein van het nieuwemuziekfestival. Zo schreef Steven Kamperman een opera over mystica-componiste Hildegard von Bingen. Hoewel de psychologie van het berijmde libretto rudimentair was, ontstond een meeslepend verhaal. Kamperman schuwde het grote gebaar niet, of het nu ging om het verbeelden van liederlijkheid of de verschijning van de duivel. Zijn muziek voor orgel, contrabas, altviool en klarinet was gevarieerd en dramatisch trefzeker, met delen uit Hildegards Ordo virtutum als refrein. De hoofdrollen waren goed bezet – Wynanda Zeevaarder in de titelrol en Marc Pantus wisselend tussen donderende duivel en flemende priester. Het kwintet Wishful Singing stal echter de show: de dames zongen loepzuiver gregoriaans, gloedvolle close harmony én een schuimend bierlied.

Die dramaturgische vanzelfsprekendheid ontbrak in het concertante Totaliter aliter, dat Peter Vigh schreef voor het Nationaal Vrouwen Jeugdkoor en ensemble Black Pencil (blokfluit, panfluit, altviool, accordeon en slagwerk). Totaliter aliter, gebaseerd op verslagen van bijna-doodervaringen, had wel wat van een seance. Een tumultueuze verklanking van crisis mondde uit in akoestisch licht aan het einde van de tunnel – waarna het weer crisis werd. Vigh componeerde virtuoze, maar ook wat ongeremde muziek, die uiteindelijk overtuigde door zijn verrassingseffecten en ideeënrijkdom.

Boudewijn Tarenskeen heeft een reputatie hoog te houden als het gaat om herinterpretaties van klassiekers – zijn Mattheüs Passie en Winterreise waren vervoerend vocaal theater. Voor Psalm 151 vroeg Tarenskeen acht dichters om nieuwe psalmteksten – sterk idee. Tarenskeen behandeling van de teksten was rijkgeschakeerd, van sputter- en brokkeltaal tot sprechgesang en pseudo-shanty’s, de uitvoering door Cappella Amsterdam en accordeonduo Toeac goed. Alleen bleken de teksten dermate verschillend dat de spanningsboog meermaals knapte. Na ruim anderhalf uur verdronken de mooie momenten paradoxaal genoeg in langdradige eenvormigheid.

Lees ook de recensie van het openingsweekeind: Ultrazachte fluisteretudes in ‘Muted’ en van Tarenskeens Winterreise door Wende in 2014: Wendes nieuwe ‘Winterreise’ is schokkend en fascinerend

Pianist en componist Wolfert Brederode hield het aards met zijn suite Ruins & remains voor piano, drums en het Matangi Quartet. De muziek lag in het verlengde van componisten als Einaudi en Nils Frahm, maar met een breder palet en een jazzy onderstroom. Bij de vele rechte grooves had drummer Joost Lijbaart iets strakker en fijnbesnaarder mogen spelen. Maar het ingenieuze slotthema bleef lang hangen.

Wereldmuziekliefhebbers konden terecht bij de warmbloedige oed-virtuoos Omar Bashir. Hij begon zijn mooi opgebouwde concert met een betoverende solo vol subtiele intonatienuances. Met gasten als contrabassist Tony Overwater verkende Bashir de grenzen van de Arabische muziek, jazz en zigeunermuziek. In het laatste stuk, over de wortels van de flamenco, imponeerde qanun-speler Ahmed El Maai van het Amsterdams Andalusisch Orkest met een schitterende solo. De geweldige slagwerker Ruven Ruppik bedreef bijkans de liefde met zijn cajón.

Correctie 15 november 2018: Halverwege dit artikel is een foto verwijderd met verkeerd bijschrift.

    • Joep Stapel