Recensie

Wie het schrijverschap ambieert: lees deze brieven

Geerten & Doeschka Meijsing Die zorgen, dat gepieker! De correspondentie tussen broer en zus Meijsing lezend vraag je je af of hun schrijverschap het nou allemaal wel waard is geweest. Maar de schrijverij was voor hen noodlot en hoop ineen.

Doeschka Meijsing (1947 - 2012) bij het in ontvangst nemen van de F. Bordewijk-prijs in 2009. Foto: ANP/Valerie Kuypers

Je kunt je als broer en zus verwant met elkaar voelen, je kunt trouw elkaars boeken lezen en je kunt elkaar decennialang brieven schrijven, maar toch kan iets essentieels van de ander je blijkbaar ontgaan.

Geerten Meijsing las na de dood van zijn zus Doeschka in haar postuum gepubliceerde dagboeken En liefde in mindere mate (2016) en stelde verbouwereerd vast dat ze het nog een stuk minder prettig had gehad dan hij altijd had aangenomen: ‘Verschrikkelijk, je kunt niet anders concluderen, moet haar leven zijn geweest, één grote tragedie.’ Waarop twee zinnetjes volgen waaruit je net zo goed kunt concluderen dat Geerten Meijsing een echte schrijver is of een cold hearted eikel. ‘Daar kun je tegenin brengen dat dagboeken misschien geen objectief beeld van iemands leven geven. Vaak stellen mensen daarin vooral hun negatieve ervaringen te boek; dat geldt wellicht ook voor mijn dagboeken.’

Geerten Meijsings opmerkingen zijn te lezen in het nawoord van Liefdevolle rivaliteit, dat verder bestaat uit de correspondentie die hij en zijn zus tussen 1979 en 2009 voerden. Door de bank genomen handelt het over familie, herinnering, poëtica, de (vaak lastige) mensen uit de literaire wereld en de zo goed als altijd penibele financiële situatie van de twee; factoren die overkoepeld worden door ‘de’ literatuur, met hun keuze om schrijver te worden.

Je vraagt je, in weerwil van de mooie boeken die de Meijsings schreven, dikwijls af of het het allemaal wel waard is geweest. Gepieker, pillen, drank, armoe, onzekerheid, nare, domme of geen reacties op je werk: wie jong is en overweegt schrijver te worden, moet eerst deze brieven lezen.

Alleen in Italië

De in 2012 overleden Doeschka blijkt nog de kwiekste. Zij steekt net iets vaker Geerten een hart onder de riem dan andersom. Ze was ook vertakter in de literaire wereld, socialer, wonend in Amsterdam, terwijl Geerten Nederland al vroeg voor Italië had verruild. Heeft hij het zichzelf te moeilijk gemaakt?

Hij zit daar maar, zonder zicht op de zilvervloot, intussen ook nog in zijn eentje een dochter opvoedend. In een vacuüm, zo komt het over. ‘Ik ga wel voort (al weet ik niet meer waarheen)’, schrijft hij, ‘maar het valt me steeds moeilijker om mijn best te doen.’ Soms werkt het ach en wee ook op de lachspieren: ‘Het regent hier, voor de druiven ziet het er slecht uit. Voor ons ook, want het dak blijft lekken.’

Uit de dagboeknotities die de ironische, erudiete en roes-zoekende Doeschka Meijsing tussen 1961 en 1987 bijhield is nu een selectie verschenen. Lees ook: Toen nog niet de grumpy old lady

De schrijverij is noodlot en hoop ineen, zo valt uit deze briefwisseling te concluderen. Het is wegzakken en jezelf steeds weer een glas ijswater in het gezicht gooien. ‘Het is koud in ons leven’, schrijft Geerten, ‘er waait een koude wind, we hebben die wind tegen, we zeggen van dat leven dat het niet lukt, en toch is dat (jawel, opa) het leven zelf, het enige dat we hebben en waarmee we het moeten doen en waarin we tenminste méér doen dan menig ander, zonder ons ergens voor te hoeven schamen, want wij maken dat leven met eigen handen en zijn niemand verantwoording of dank verschuldigd.’

Ondanks dat er in de door Nop Maas voorbeeldig van annotaties voorziene brieven wel wat veel oude koeien zitten, zijn ze goed geschreven en wisselen steunbetuiging en vinnigheid elkaar vermakelijk af. Zo bijt Doeschka flink van zich af als Geerten haar verwijt te veel Italië (zijn domein) in een boek op te nemen. ‘Ik schrijf over Rome, waar ik in totaal zo’n veertien keer in mijn leven ben geweest, langer en eerder dan jij. Ik ga toch Rome niet claimen?’

    • Sebastiaan Kort