Opinie

Van herdenken worden we slimmer

Eerste Wereldoorlog

Landen die de Eerste Wereldoorlog echt hebben meegemaakt en in hun collectieve geheugen dragen, zijn nu minder naïef dan het destijds neutrale Nederland, schrijft .

Illustratie Nanne Meulendijks

Dit weekeinde herdenken Europeanen de wapenstilstand van 1918 als het einde van de Eerste Wereldoorlog. Britten, Fransen, Belgen koesteren die traditie, en dit jaar gaat er nog een grote schep bovenop. President Emmanuel Macron reisde deze week langs de oude fronten in de noordelijke arrondissementen, waar hij begraafplaatsen, monumenten en musea bezocht.

Deze zaterdag ontmoet hij bondskanselier Angela Merkel bij Compiègne, waar Duitsland op 11 november 1918 tegen zes uur ’s ochtends in een treinwagon de wapenstilstand ondertekende. Zondag herdenkt hij het einde aan de Grote Oorlog bij de Arc de Triomphe in Parijs, met een paar dozijn wereldleiders, onder wie Donald Trump en Vladimir Poetin. Vrijdag al lunchte hij met premier Theresa May aan het voormalige front van de Somme, waar Macrons eigen Britse voorvader George William Robertson gelegerd lag (die een Française huwde).

Ook voor May en veel andere Britten is Armistice Day dit jaar speciaal. Een eeuw geleden bracht de oorlog het Europese vasteland dichter bij, emotioneel, en politiek. Nu, met Brexit, groeit de afstand weer.

In België hebben ze vanaf 2014 al vele honderden herdenkingsmomenten georganiseerd, nog bovenop de reguliere, zoals het dagelijks blazen van de Last Post bij de Menenpoort in Ieper, vaste gewoonte vanaf 1928.

Interessant is ook hoe de verliezers terugblikken. Oostenrijk doet dat met een tentoonstelling over hoe in chaos en rumoer de republiek werd gesticht, op de verbrokkelde resten van het Habsburgse keizerrijk. Tsjechen, Slowaken, Polen en Roemenen vieren die verbrokkelde resten uitbundig. Op de nationale ‘1918-site’ van Roemenië staat: „We eren diegene die honderd jaar geleden erin slaagden een schier onmogelijke droom waar te maken: de vereniging van alle Roemenen”.

Hongarije, de andere helft van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, heeft daar weer heel andere gevoelens bij. Het verloor zeker de helft van zijn territorium, inclusief grote delen van het huidige Roemenië. Ook in het voormalige Joegoslavië, waarvan grote delen onder diezelfde dubbelmonarchie vielen – en waar in Sarajevo het ‘eerste schot’ werd gelost – is het onder Serviërs, Kroaten en Bosniërs nog steeds een heftige, actuele vraag wie er wel en niet heeft geprofiteerd van het einde van de Eerste Wereldoorlog.

Bekijk ook deze In Beeld: President Marcron op herdenkingstour

Kortom: heel Europa herdenkt. Heel Europa? Nee, Nederland staat er bij en kijkt er naar. Een geplande herdenkingsbijeenkomst bij het monument voor de door mijnen op zee omgekomen vissers werd op het laatste moment afgeblazen. Te weinig belangstelling. Het Vredespaleis in Den Haag organiseert met het NIOD een symposium, dat is al iets, maar een nationaal evenement is het niet.

Stof tot nadenken

Dat is begrijpelijk. Nederland was in 1914-1918 neutraal, en dat spreekt niet tot de verbeelding. Er bestaan geen bombastische films die de collectieve herinnering aanspreken en aan Nederlandse War Poetry werd honderd jaar geleden nauwelijks gedaan. Toch moet Nederland de Eerste Wereldoorlog echt beter leren kennen. Hiervoor zijn minstens vier argumenten, die zeker in het licht van de afgelopen tijd aan belang hebben gewonnen. Want die oorlog biedt stof tot nadenken voor allerhande stuntelige politici, onwetende intellectuelen en raaskallende volksmenners.

Ten eerste: de Eerste Wereldoorlog is essentiële wereldgeschiedenis, het startsein van veel geopolitieke problemen, de opdeling van het Midden-Oosten, het virulente nationalisme, de moderne ongrijpbare angsten over technologische vooruitgang, de machinale vernietiging, en de neergang van Europa’s mondiale hegemonie. De Amerikaanse diplomaat en historicus George Kennan noemde de Grote Oorlog „de allesbepalende catastrofe” van de twintigste eeuw. Een nieuwe tijd werd geboren. Het neutrale Nederland kreeg daar in 1914-1918, en ook erna, slechts druppelsgewijs iets van mee. Nederland deelde niet in de strijd, en niet of nauwelijks in het trauma dat de rest van Europa verbond.

Twee: kennis van de Eerste Wereldoorlog biedt context bij de politieke retoriek en ideeënwereld van veel Europese leiders. Meer dan eens verwijst de Hongaarse premier Viktor Orbán naar het ‘dramatische verdrag van Trianon’ uit 1920, toen het Hongaarse deel van de Dubbelmonarchie werd teruggebracht tot het rompstaatje van vandaag. Voor zijn aanhangers is dit een trauma, niet van een eeuw geleden, maar van gisteren. Ze plakken stickers van Groot-Hongarije op hun auto en sympathiseren hartstochtelijk met de ‘verweesde Hongaren’ in de buurlanden.

In Polen romantiseert PiS-partijleider Jaroslaw Kaczynski niet het Polen dat na de Tweede, maar na de Eerste Wereldoorlog uit de as herrees. Ook in Turkije is die geschiedenis vers. Recep Tayyip Erdogan heeft volgens sommigen last van het ‘Sèvres-syndroom’, een verwijzing naar de honderd jaar oude vredesbespreking in deze Parijse voorstad. Hij en zijn achterban menen dat Europeanen, net als een eeuw geleden, Anatolië in stukken willen hakken.

En in 1918-1919 woedde in Oekraïne een burgeroorlog die doet denken aan die van nu. Israël, Syrië, Irak: ze kregen vorm tijdens de verwarring aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Historicus Beatrice de Graaf memoreerde recent in NRC dat het einde van de Eerste Wereldoorlog en de ontmanteling van de Duitse, Ottomaanse en Oostenrijks-Hongaarse veelvolkerenrijken leidde tot tientallen burgeroorlogen, pogroms, bloedige revoluties en contrarevoluties, en algehele onveiligheid. Het nationale zelfbeschikkingsrecht had duistere kanten. Stef Blok had hierover iets kunnen opzoeken voordat hij zijn uitspraken over de multiculturele samenleving deed. Hij is de minister van Buitenlandse Zaken, je zou het bijna vergeten.

Drie: de Eerste Wereldoorlog leert ons – meer nog dan de Tweede – hoe ingewikkeld een internationaal conflict is, en hoe dat zelden een happy end oplevert. Het was een bizarre oorlog, die na de wapenstilstand van 1918 voortleefde in de vorm van een duizelingwekkende ideeënstrijd. De Duitse dichter Ernst Toller schreef dat „wie de ineenstorting van 1933 [en Hitlers machtsovername] wil begrijpen eerst de geschiedenis moet kennen van wat er in 1918 en 1919 [in Duitsland] is gebeurd”. In Nederland is het beeld van de Tweede Wereldoorlog zogenaamd helder. Over Hitler en het verzet heeft iedereen feitjes paraat. Toch zal een gemiddelde Nederlander weinig weten van de Duitse revoluties van 1918 en 1919, toen sociaal-democraten het vuur lieten openen op radicale revolutionairen in steden als Berlijn en München. Zowel de oorlog zelf, als ook de ideeënstrijd die erop volgde, kunnen inzicht bieden in de gelaagdheid van een conflict.

Herkenbaar Evil Empire

Europa werd immers gevormd door niet twee, maar drie oorlogen: de Eerste en de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog. Vooral de laatste twee oorlogen laten zich uitstekend lenen voor een simplistisch (en filmisch) goed/fout-model. In de Tweede Wereldoorlog had je een goed herkenbaar Evil Empire. Tijdens de Koude Oorlog ontdeden de VS en de Sovjet-Unie het conflict overzichtelijk van grijstinten. Natuurlijk hebben historici al vaker aangetoond dat het genuanceerder lag, maar zo is het wel in het collectieve geheugen verzonken. En laat Nederland nu deze twee oorlogen wél bewust meegemaakt hebben.

De Eerste Wereldoorlog, daarentegen, laat zich niet simplificeren. Deze leert ons niet dat het ‘kwaad’ een gezicht heeft – Hitler, Stalin – dat als zodanig bestreden kan worden. Integendeel, de Eerste Wereldoorlog heeft geen gezicht en vraagt veel van onze verbeelding. Het conflict vertelt hoe grillige paniek over internationale verwarring, gezaaid door onkundige en onhandige, vaak labiele en ongeschikte bewindslieden en diplomaten, kan leiden tot ellende, wanneer die paniek wordt omgezet en geïnstrumentaliseerd in geweld. En dat dat geweld niet kan worden teruggedraaid, of teniet gedaan. Dat geweld geweld baart en onnoemelijke trauma’s voortbrengt, die lang voortduren. En dat die trauma’s ook niet ‘onschuldig’ zijn: Hitler beschreef in Mein Kampf hoe het einde van de oorlog in de „geest en ziel van het Duitse volk was gebrand” en uiteindelijk zou inspireren „tot een nieuwe gewapende strijd”.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel Nederlandse media hedendaagse conflicten nog steeds uitleggen in binaire modellen. Alsof we nog steeds het sjabloon van de Koude Oorlog gebruiken: Pro-Russisch, Pro-EU, anti-EU, Oosten, Westen, enzovoorts. Ook de Nederlandse politiek heeft zich meermaals provinciaal, zo niet naïef getoond. Herinneren we ons de missie in Uruzgan nog? Om nog maar te zwijgen over Srebrenica.

Ik vermoed dat Europese landen die de Eerste Wereldoorlog in hun collectieve geheugen meedragen heel anders in zo’n missie zouden staan. De jaren 1914-1918, en de nasleep, leren Nederland dat in een internationaal conflict ambiguïteit en meerduidigheid de norm is. Wie orde, rust en eenvoud denkt te kunnen brengen, heeft geen idee van wat oorlog is.

Geen allianties, geen bondgenoten

En tenslotte, voor het vierde argument, zou ik willen terugkeren naar Nederland. Het land was neutraal, en daarom eenzaam. ‘Geen allianties’ betekent ook: geen bondgenoten. Het beeld van een geïsoleerd land, alleen in het oog van de orkaan, geeft stof tot nadenken over het huidige vraagstuk van de internationale orde. Des te meer omdat de Amerikaanse president het Atlantische bondgenootschap openlijk in twijfel stelt, en het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie zal verlaten.

Enerzijds zou je kunnen beweren dat de Nederlandse regering toen een huzarenstukje heeft geleverd door voorzichtig om te gaan met de belangen van het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, België en Frankrijk. De balanceer-act tussen de kemphanen bracht Nederland economische voorspoed: handel floreerde, multinationals kwamen tot wasdom en de Rotterdamse havenbaronnen aten van zowel Duitse als Britse walletjes. Anderzijds kun je betogen dat dat opportunisme was.

Afzijdigheid was trouwens ook toen al een illusie. Meer dan een miljoen Belgische vluchtelingen trokken de grens over en moesten opgevangen worden in kampen of bij mensen thuis. Dit zette grote druk op de samenleving. In ieder geval werd het na 1918 niet meer zo eenvoudig om je terug te trekken achter de dijken en je daar al geld-tellend koest te houden. Vanaf de oprichting van de Volkenbond in 1920 zouden niet alleen de oorlogen, maar ook de vredes internationaler tot stand komen. Wat elders in Europa misging, betrof voortaan ook Nederland.

De conclusie is daarom eenvoudig: Nederland moet zich de Grote Oorlog beter gaan herinneren. Waarom? Voor een beter en groter begrip van de buurlanden, van Oost- en West-Europa, en van de rest van de wereld.