Recensie

Nostalgie was nooit de enige blik op Indië

Kolonialisme

In een vurig pamflet belicht Kester Freriks facetten van het oude Indië die niet langer de boventoon voeren in onze kritische herinnering aan de koloniale tijd.

Boekhandel Kolff, Batavia, ca. 1870 Foto collectie Java Post

Ons beeld van het koloniale verleden is aan verandering onderhevig. Meer dan ooit is er aandacht voor oorlog en geweld in Indië en Indonesië. Met terugwerkende kracht wordt een deel van onze vaderlandse geschiedenis in een ander perspectief geplaatst. Hoe was het om Indonesiër te zijn in die periode? Het gaat daarbij niet alleen om de twintigste eeuw, maar ook om slavernij en uitbuiting in de VOC-tijd en in de negentiende eeuw, tijdens de hoogtijdagen van het kolonialisme.

Ik zag dat fraai geïllustreerd tijdens een recent bezoek aan Bronbeek bij Arnhem. Dit rustoord voor oud-(KNIL)militairen dat tegelijk een museum is, gold als een bolwerk van conservatisme en kolonialisme. In de jaren vijftig heb ik daar, op bezoek met mijn vader, als kind geluisterd naar ‘hanepikkies’ die nog in de Atjeh-oorlog hadden gevochten. Die zijn er niet meer, maar een rusthuis is het nog wel. De vaste expositie, ‘Het verhaal van Indië’, presenteert nu een genuanceerde weergave van het verleden, met veel meer aandacht voor de gevolgen van onze aanwezigheid in de Oost en het lot van de inheemse bevolking. Bronbeek is met zijn tijd meegegaan.

Je kunt het ook overdrijven. Bij het grafmonument van J.B. van Heutsz op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam staat tegenwoordig een bordje waarin uitsluitend in negatieve zin over de generaal wordt gesproken. Het graf wordt alleen getolereerd omdat het een kunstwerk is. Dat is onterecht. Van Heutsz wenste ook dat de bevolking van Atjeh zou profiteren van de olie die daar gevonden werd. Omdat er een pijpleiding werd aangelegd naar Belawan bij Medan, ging dat niet door. Als gouverneur-generaal was hij bepaald de slechtste niet. Hier zou een wat meer genuanceerde benadering niet misstaan.

Kester Freriks ziet in deze toegenomen kritiek een aanval op de tijd van vroeger, die door zovele Indischgasten wordt gemist. In zijn ogen worden hen hun dierbare herinneringen aan het oude Indië afgenomen. Zijn boekje Tempo doeloe, een omhelzing, is bedoeld om het geschonden beeld te herstellen. In zijn vurige pleidooi belicht hij allerhande facetten van wat Indië betekende voor wie zich daarmee verbonden voelt. Het is echter meer een hartenkreet dan een goed gestructureerd betoog. Hij is verontwaardigd over het feit dat bepaalde herinneringsboeken niet meer zouden ‘mogen’. Maar van wie niet?

Het koloniale systeem deugde niet – is er iemand die dat ontkent? We kijken daar nu anders naar dan vroeger. Niettemin was Het land van herkomst (1935) van E. du Perron zeker geen nostalgisch boek, maar een schoolvoorbeeld van kritische zelfreflectie die uitmondt in een afwijzing van de eigen koloniale mentaliteit van vroeger. En De stille kracht, het meesterwerk van Couperus uit 1900, is doordrongen van het besef dat de westerling niet in Indië thuishoort. Die kritische houding vind je in de Indische literatuur al vanaf de zeventiende eeuw, al heeft zij nooit gedomineerd.

Op zondag 4 november werd er op Bronbeek een symposium gehouden over ‘Liefde en lust in de Indische Letteren’. De meer dan driehonderd aanwezigen konden kennisnemen van lezingen over man-vrouw-relaties in de tropen, die overwegend door een kritische bril werden bezien, waarbij de positie van de Aziatische vrouw bepaald niet onderbelicht bleef. Het ging daarbij wel om koloniale literatuur. Om die in haar geheel als ‘nostalgisch’ te bestempelen, is zeker onterecht.

Kester Freriks neemt het op voor wie het land waarmee men zich verbonden voelde, moest verlaten. Daar heb ik veel sympathie voor. De tegenstelling die hij creëert, acht ik echter niet overtuigend. De geschiedenis kent nu eenmaal licht- en schaduwzijden. Je kunt je eigen verleden en dat van je familie koesteren zonder de ogen te sluiten voor oorlog en geweld.

    • Peter van Zonneveld