Recensie

Het is tijd voor wraak op de lezer

Rachel Cusk

In haar roman Kudos neemt Cusk de literaire wereld de maat, die van oneerlijkheid en zelfgenoegzaamheid aan elkaar hangt.

Toen Rachel Cusk in 2012 de Anna Bijns-lezing hield, ging ze in op de vraag hoe het is om als vrouw te schrijven in een cultuur die door mannen wordt gedomineerd. Na haar boeken A Life’s Work: On Becoming a Mother (2001) over moederschap en Nasleep (2012) over onder meer haar scheiding, had ze namelijk gemerkt wat er gebeurt wanneer een vrouwelijke auteur haar eigen leven nietsontziend boekstaaft. Om een lang verhaal kort te houden: dat pakt voor de schrijver slecht uit, ze wordt niet beoordeeld op de kwaliteit van het werk, maar weggezet als slechte moeder of waardeloze echtgenote.

‘In die fictieve omgeving moeten toespelingen op de werkelijkheid zorgvuldig worden gedoseerd’, legde Cusk uit in de lezing. ‘De beste manier is humor: als je ergens om lacht, hoef je het niet serieus te nemen. Als een vrouw Het dagboek van Bridget Jones leest, schenkt dat haar psychische verlichting; haar zelfhaat is toegegeven, erkend, en tegelijkertijd onschadelijk gemaakt. De vrouwelijke cultuur staat positief tegenover moed, de moed van de humor, maar negatief tegenover eerlijkheid.’

Alles is ijdelheid

Cusk (1967) nam na die ervaring wraak op de lezer door met een geweldig drieluik te komen waarin het juist draait om het leven van een schrijver die eerlijk opschrijft wat ze aantreft in de wereld om haar heen. Ze is niet zelf aan het woord, maar hoort anderen aan. De schrijver, getreiterd omdat ze nietsontziend en ijdel zou zijn geweest, tekent de biografische verhalen op van anderen. Die raamvertellingen kwamen samen in Contouren (2014) en Transit (2016) en nu dus in het zojuist vertaalde Kudos. Tezamen vormen ze een combinatie van verhalen die draaien om de scheve man-vrouw verhoudingen, het verval van lichaam en geest en de culturele wereld die van ijdelheid aan elkaar hangt.

In het eerste deel vertelt de schrijver de verhalen die ze hoort tijdens een schrijfcursus, in het tweede deel tijdens een verbouwing en in het slotdeel hoort ze de verhalen aan van mensen tijdens haar boektournee door Europa. Samen vormen ze een soort dagboeken waarin de levens van anderen centraal staan, en die dus niets van doen hebben met de platte, semi-destructieve zelfspot in de dagboeken van Bridget Jones.

Hoe het verhaal verteld moet worden schetst de schrijver vanuit het vliegtuig. Ze zit naast een lange man die nauwelijks in zijn stoel past. Om niet met zijn benen het gangpad te belemmeren, moet hij rechtop zitten en wakker blijven. Dat lukt alleen wanneer hij verhalen gaat vertellen aan de ik-figuur. Terwijl ze zijn verhalen aanhoort over een hobo-spelende dochter bij wie een steekje loszit en een hond die sterft aan kanker, bedenkt ze: ‘Het was de kunst, begreep ik, om dicht langs de schijnbare waarheid te scheren zonder weer in de greep te raken van je echte mening.’

Hoezeer eerlijkheid en sociale wenselijkheid elkaar in de weg zitten, blijkt ook uit het moment wanneer de ik-verteller op een literair festival terechtkomt, en de ene na de andere ijdeltuit passeert.

Het toppunt wordt belichaamd door een auteur die ontdekt dat zijn dochter autistisch is. Hij besluit een bloemlezing samen te stellen om geld in te zamelen voor een instituut dat autisme moet onderzoeken. (Wellicht moeten we hierin Nick Hornby, die ruim vijftien jaar geleden een bloemlezing samenstelde over autisme, herkennen?) Blij met zijn eigen leven, hardloopkwaliteiten en literair succes, vertrouwt de schrijver de ik-verteller toe: ‘Jammer genoeg zat het financieel zo in elkaar dat we mensen zoals jij niet om een bijdrage konden vragen want het was erom begonnen veel geld binnen te harken, en zoals gezegd: daar hadden we grote namen voor nodig.’

Alle cultuurminnaars in deze roman hangen van snobisme aan elkaar, en dat maakt dit tot een zeer vermakelijk boek. Herkenbaar is de jonge uitgever die eerst marketeer was. Trots vertelt hij dat hij de uitgeverij heeft gered door sudokoboekjes uit te geven. Dat had bij de ‘niet zo populaire auteurs’ wel wat gemor opgeleverd, maar die auteurs zagen ook in dat dat toch de beste manier was om hun romans nog uitgegeven te krijgen. ‘Eerlijk gezegd ben ik er zelf ook verslingerd aan geraakt’, vertrouwt hij de verteller toe op een manier die uitgevende marketeers zo eigen is.

Eenvoudige cultuurkritiek

De man ziet weinig heil in de verkoop van de vertalingen van de ik-verteller, net als de organisator van het festival die überhaupt de hele literatuur ten gronde ziet gaan. Ondertussen doen journalisten in interviews meer aan zelfprofilering dan dat ze daadwerkelijk geïnteresseerd zijn in het werk van de auteur, of komen ze niet verder dan een braaf opstel in boekenbijlagen die steeds kleiner worden in een wereld waar de ene na de andere boekhandel verdwijnt: ‘Net als de Siberische tijger worden we met uitsterven bedreigd, alsof romans eens wild en woest waren en nu kwetsbaar en weerloos. Wij uitgevers gaan ervan uit dat niemand om boeken geeft, terwijl de producenten van cornflakes iedereen ervan overtuigen dat de wereld ’s morgens net zo’n behoefte heeft aan cornflakes als aan de opgaande zon.’

Het lijkt allemaal eenvoudige cultuurkritiek, maar het spel dat Cusk speelt met de waarde van literatuur en of die nu wel of niet meer aan kracht wint als romans om eerlijkheid draait, is fascinerend. ‘Negatieve literatuur had zijn macht vooral te danken aan onverschrokken eerlijkheid’, merkt een journalist op, waar een andere interviewster vooral het probleem ziet in de rol van de vrouwelijke auteur en het gebrek aan erkenning.

De roman zelf blijkt uiteindelijk het beste antwoord op de vraag wat een roman moet zijn, wat je als vrouw wilt wanneer je deels over jezelf schrijft en vooral ‘eerlijk’ wilt zijn, terwijl alles fictie is. De lezer kan ondertussen kiezen of hij iets als kwetsbaar en weerloos wil lezen, als zelfhaat, als autobiografie of verbeelding.

Cusks antwoord zit wellicht in de aanblik van een ‘boom van een kerel’ met een zwarte krulbaard en spierwitte tanden. Op de dag dat de ik-verteller even vrij heeft en niet naar de verhalen van uitgevers, mede-auteurs, vertalers en organisatoren hoeft te luisteren, duikt ze de zee in om alles van zich af te spoelen. Ze staat oog in oog met de man met de zwarte baard. In vol ornaat pakt hij zijn penis op en plast in het water, onderwijl de schrijver aankijkend met ‘donkere ogen vol boosaardig genot’.

    • Toef Jaeger