Held na de ene oorlog, verguisd na de andere

Einde Eerste Wereldoorlog Een eeuw geleden hield een Limburgse sergeant de Duitse keizer tegen bij de grens. Hij was een held, tot de volgende oorlog zijn reputatie verwoestte.

Ex-keizer Wilhelm II met zijn gevolg op station Eijsden, 10 november 1918. Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad

In de nacht van 9 op 10 november 1918 voerde de 25-jarige boerenzoon Pierre Pinckaers uit het Zuid-Limburgse Gronsveld het commando over de grenswacht bij Withuis (net onder Eijsden). Hij lag in een diepe slaap, toen een van zijn ondergeschikten hem even na zessen wekte. Er stonden negen Duitse legerauto’s voor de versperring op de Belgisch-Nederlandse grens. Een groep officieren eiste onmiddellijke doorgang. Ze moesten naar Den Haag. Waarvoor precies lieten ze in het midden.

Sergeant Pinckaers liet zich niet imponeren door de met pistolen en sabels bewapende mannen die zich bekendmaakten als generaals. Ook het aanbod dat, als hij een oogje zou dichtknijpen, hij zes van de negen auto’s mocht houden, kon hem niet vermurwen. Hij droeg zijn commando over en sprong op de fiets om in Eijsden, waar de dichtstbijzijnde telefoon was, te bellen met de bataljonscommandant.

Pas bij terugkomst herkende Pinckaers onder de Duitsers keizer Wilhelm II. Nu de zon opkwam, werd ook zichtbaar dat de autoportieren met modder waren besmeurd. Daaronder zat een dubbelkoppige Duitse adelaar.

Frankrijk begon in 2013 met een nationale inzameling van privéspullen uit de ‘Grote Oorlog’. Lees ook: Koffers vol familietrauma’s worden deel van het nationale geheugen

Wilhelm II’s beslissing om te vluchten, dateerde van een dag eerder. Hij zag in dat zijn imperium de nederlaag tegen de geallieerden niet zou overleven en wilde proberen vanuit het Duitse hoofdkwartier in het Belgische Spa naar Nederland te reizen.

De keizer maakte een praatje met Pinckaers. Hij had het over het weer en vroeg of de grenswacht blij was met de naderende vrede. Later begeleidden de sergeant en zijn mannen de keizer en zijn gevolg op een wandeling van drie kilometer naar het treinstation in Eijsden. Daar wachtten de Duitsers een dag lang op het besluit van de Nederlandse regering over politiek asiel.

Het zette kwaad bloed in geallieerde landen dat de verpersoonlijking van de Duitse oorlogsmisdaden uiteindelijk onderdak kreeg in het neutrale Nederland. Maar overal smulde men van het verhaal over een eenvoudige onderofficier die een keizer en zijn adellijke vrienden met veel strepen en sterren had tegengehouden. Nog jaren kreeg Pinckaers bezoek, soms onverwacht. Belgische ministers vereerden hem met een visite, net als gravin Bentinck bij wie de keizer na zijn dag in en rond Eijsden aanvankelijk onderdak had gekregen. Verslaggevers van grote internationale kranten zoals Paris Soir togen naar Gronsveld. Keer op keer moest hij het verhaal opnieuw vertellen.

Pierre Pinckaers in 1956 op een foto in De Nieuwe Limburger met een krant uit 1918, het jaar dat hij beroemd werd. Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad

Gaandeweg groeide zijn weerzin tegen de voortdurende aandacht. Persfotografen lagen rondom zijn boerderij op de loer om plaatjes te schieten. Journalisten drongen zomaar zijn schuur of huiskamer binnen. „Van de schrik voor journalisten ben ik vergeten te trouwen”, zei hij ooit in een interview. Door die ene novemberochtend in 1918 had hij altijd de verkeerde soort aandacht getrokken. Een normaal leven was er nooit meer van gekomen.

De Tweede Wereldoorlog gaf zijn leven weer een heel andere wending, zo blijkt uit stukken in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging. Direct na de bevrijding van Zuid-Limburg, half september 1944, hield de politie de inmiddels 52-jarige Pinckaers aan. De motivatie op het arrestatieformulier: „Heeft altijd met de NSB en Duitschland gesympathiseerd, waardoor hij door het publiek zeer gehaat was. Is daarom voor ’s lands en eigen veiligheid gearresteerd.”

De verdachte werd vastgezet in een voormalig armenhuis in het centrum van Maastricht, veel te klein voor de honderden van collaboratie verdachte geïnterneerden. Bewakers schuwden geweld niet. In verhoren vertelde Pinckaers dat hij in de jaren dertig zakelijke contacten had gehad met mensen in Duitsland en dat hij er op vakantie was geweest. Tot het vastlopen van de inval in Rusland had hij gedacht dat Hitler de oorlog zou winnen. Hij had wel eens een paar kilo kersen verkocht aan Duitse militairen en in 1944 leden van Musserts beweging aan het werk gehad tijdens de fruitpluk, omdat andere arbeidskrachten – stelde hij – moeilijk te krijgen waren. Maar hij was nooit NSB-lid geweest. De beschuldigingen tegen hem waren volgens Pinckaers terug te voeren op jaloezie in het dorp. Zijn familie boerde te goed.

De keizer maakte een praatje met hem over het weer

Vlak voor Sinterklaas 1944 mocht de verdachte het interneringskamp verlaten. Hij kon terug naar Gronsveld, maar had daar wel huisarrest. Als hij zich daar niet aan hield, wachtte hem een gevangenisstraf van maximaal zes jaar of een geldboete van maximaal 10.000 gulden. Na een paar maanden op de boerderij tekende hij protest aan. Hij was de enige man op een bedrijf met 7,5 hectare grond. „Graag zou ik iemand aannemen om mij hulp te verleenen, maar daar ik een schichtig paard heb, is dit thans te gewaagd, en durf ik mijn paard aan niemand toevertrouwen, zonder dat ik er zelf bij ben.” Begin maart 1945 gaf de Commissie van Onderzoek Politieke Gevangenen Pinckaers toestemming om in zijn tuin, op zijn akkerland en in zijn boomgaarden te werken.

Landen die de Eerste Wereldoorlog in hun collectieve geheugen dragen, zijn nu minder naïef dan het destijds neutrale Nederland, schrijft Guido van Hengel. Lees zijn opiniestuk in NRC: Van herdenken worden we slimmer

Smet op zijn naam

Het onderzoek sleepte zich voort. Eind 1945 kregen de instanties een ‘staat van inlichtingen’ over hem op tafel, die hem niet tot een collaborateur van de buitencategorie maakte. Pinckaers had omgang gehad met NSB’ers en stond bekend als „zeer Duitsch-gezind”, maar had zich tijdens de bezettingsjaren verder goed gedragen. Het rapport meldde verder dat zijn verhouding met buurtbewoners goed was en dat hij bekendstond als een zachtaardige, hardwerkende, sober levende landbouwer.

In oktober 1946 stelde justitie hem buiten vervolging: de gerezen verdenkingen waren „niet ongegrond”, maar Pinckaers had al een tijdje vastgezeten. Een rechtszaak was niet meer opportuun.

Hij kon weer gaan en staan waar hij wilde. De smet op zijn naam bleef hem echter dwars zitten. Begin 1951 tekende hij protest aan tegen de formulering die was gebruikt bij zijn buitenvervolgingstelling. Vijf maanden later kwam Pinckaers’ zaak alsnog voor de rechter. Die concludeerde dat de verdenkingen van net na de oorlog niet gegrond waren geweest.

In de twintig jaar dat hij nog leefde, bleef Pinckaers boeren. In zijn vrije tijd zong hij in het kerkkoor en kwam hij heel af en toe in het café. Daar stond hij ondanks zijn welstand te boek als op de penning. Als hij aan de beurt dreigde te komen voor een rondje, zei hij volgens de overlevering vaak: „We zouden er nog een kunnen drinken, maar we hebben genoeg gehad.” Daarna maakte Pinckaers dan aanstalten om naar huis te gaan.

    • Paul van der Steen