Recensie

‘Bij ons was het: bedrog, scheiding, ontslag of kanker’

Franse literatuur

Bij de grote Franse literaire prijzen overheersten deze week romans over arbeiderskinderen die knokken voor een hogere plek op de sociale ladder. Maar eenmaal daar beland, blijven ze buitenstaanders.

Een verlaten stadje in de Franse provincie. FOTO Jean Gaumy/Magnum Photos/HH

Wie schrijft spreekt uit andermans naam, in andermans plaats, zei de Franse socioloog en schrijver Édouard Louis bij zijn recente bezoek aan Amsterdam. Schrijvers moeten zich daarom afvragen wie er niet spreekt, wie er niet bij is, wie níet gehoord wordt. Wie is er zo afwezig dat we hem niet eens missen?

In Louis’ eerste autobiografische romans zijn dat de ‘petites gens’ uit een industriestadje in Picardië, de werkloze, gewelddadige vader, de moeder die thuis de klappen opvangt, de geterroriseerde homoseksuele jongen. En de dorpsgenoten die de bezuinigingen van de regering aan den lijve voelen, degenen die niet profiteren van de globalisering. Louis herinnert zich hoe hij in 2008 – hij was 16 – naar de tv keek toen J.M.G. Le Clézio de Nobelprijs kreeg. Waarom sprak hij over fictieve personages die het moeilijk hebben in het leven? Waarom sprak hij niet over hén, hier, in Noord-Frankrijk, zíj hadden het net zo moeilijk! Louis: „Mijn sociale klasse stierf van de afwezigheid.”

Als het aan hem ligt, komt daar verandering in: „Hoe kun je over iets anders schrijven dan over geweld, klassenstrijd, armoede, onrecht, homofobie, racisme en vernedering? Literatuur moet de lezer confronteren en wel zo dat die zich niet lachend kan afwenden.”

Edouard Louis is een ‘transfuge de classe’, iemand die van het ene naar het andere milieu is opgeschoven. Hij doorbrak de wet van de ‘sociale reproductie’, waar dat in Frankrijk zeldzaam is: in zeven van de tien gevallen wordt een kind van arbeiders zelf arbeider. Louis (26) is een uitzondering, net als zijn vriend en socioloog Didier Eribon (65), de schrijfster Annie Ernaux (78) en de auteur van De kunst van het verliezen, Alice Zeniter (32).

Rijkeluiszoontjes

Sinds deze rentrée kunnen we een naam aan dit lijstje toevoegen, die van Nicolas Mathieu (40). Zijn roman Leurs enfants après eux kreeg woensdag de prix Goncourt, de belangrijkste Franse literatuurprijs. Het boek is een vuistdikke coming-of-age-roman, met vaart, geschreven in de nuchtere, rauwe taal van alledag, met veel dialogen. Mathieu heeft een verhaal te vertellen: dat van zijn alter ego en diens leeftijdgenoten die opgroeien in Heillange, een imaginair stadje in het noordoosten van Frankrijk. De krimp in de staalindustrie veroorzaakt werkloosheid: ‘De mannen spraken weinig en stierven vroeg. De vrouwen verfden hun haar en keken naar het leven met een optimisme dat langzaam afnam. Eenmaal oud geworden herinnerden ze zich hoe hun man zich afbeulde op zijn werk en daarna naar het café ging, dachten ze aan hun zoon die zich op de weg had doodgereden, en dan hadden ze het nog niet eens over de mannen die er doodleuk vandoor waren gegaan. [...] Bij ons werd je ontslagen, werd er gescheiden, werd je bedrogen of kreeg je kanker. We waren gewoon normaal.’

Mathieus hoofdpersoon Anthony, die als de roman begint 14 jaar is, gebruikt achter de rug van zijn vader om diens oude motor om naar een feestje te gaan bij rijkeluiszoontjes wier vaders stadsbestuurders zijn, apothekers, ingenieurs, handelaren, artsen, mensen die zwemmen in geld, drank en drugs. ‘Anthony droomde ervan hem te smeren.’

„Dat wilde ik zelf ook”, vertelde Mathieu onlangs op een festival, „maar je kon nergens naartoe.” Hij groeide op in een arbeidersgezin in een stadje in de Vogezen, waar de textielindustrie op sterven na dood was. Op de middelbare school kwam hij terecht tussen bourgeois: kinderen uit de gegoede burgerij, waarvan hij de codes niet kende. Hij had voortdurend het gevoel tot de marge te behoren, er niet toe te doen. Hij las het werk van Annie Ernaux, begon te begrijpen waar zijn schaamte vandaan kwam, hoe sociale uitsluitingsmechanismen werken. Zijn innerlijke woede dreef hem tot schrijven, hij werd een geëngageerd auteur en een ‘transclasse’.

Arme Chinese boer

Het thema klasse resoneert ook in andere voor de grote Franse prijzen genomineerde romans – de Renaudot, Femina en Médicis, die ook deze week zijn uitgereikt. Personages uit de marge van de samenleving of op een andere manier ‘volstrekt afwezig’ zijn, op de manier waarop Edouard Louis het bedoelt, krijgen het woord. De hoofdpersoon van Frère d’âme, de roman van David Diop, die, hoewel voor alle grote prijzen genomineerd, geen enkele bekroning kreeg, is een ‘tirailleur sénégalais’, een Afrikaanse soldaat die door de Franse kolonist werd geronseld om tijdens de Eerste Wereldoorlog dienst te nemen in het Franse leger. En Paul Greveillac, die eveneens voor de prix Goncourt genomineerd was met zijn klassiek beschrijvende epos Maîtres et esclaves, schetst hoe de zoon van een arme Chinese boer het dankzij zijn tekentalent brengt tot propagandaschilder van Mao en prominent partijlid.

Wie voor een dubbeltje is geboren wordt zelden een kwartje– en als het al gebeurt, dan is het maar tijdelijk.

Allemaal personages met een slechte sociale startpositie die knokken voor een hogere plek op de sociale ladder. Candice, de twintigjarige fietskoerier uit L’hiver du mécontentement van Thomas B. Reverdy, geboren in een arme buitenwijk van Londen, werkt voor een bedrijfje van een vaderskindje dat een business school heeft gedaan. Had ze in onze tijd van #MeToo geleefd, dan had ze hem aangeklaagd voor aanranding. Nu verliest ze haar baan. Het is 1978, het openbare leven in het Verenigd Koninkrijk ligt plat vanwege massale stakingen, vuilnis stapelt zich op, buiten woedt ‘the winter of our discontent’. Margaret Thatcher voert de campagne die haar aan de macht zal brengen. In haar vrije tijd speelt Candice toneel, Richard III, Shakespeare. Hoe slaagt Richard III, de verguisde gebochelde zoon, de nar, de paria, erin de macht te veroveren? Candice herkent zijn buitenstaanderschap, de schaamte, de vernedering die in hem brandt. Met spot, cynisme en een mooie playlist uit die tijd (Sex Pistols, Adam and the Ants, Jam, Joy Division, David Bowie, Pink Floyd), analyseert Reverdy – heel actueel - hoe de mechanismen van macht en onderdrukking functioneren.

Dubbeltje

Sociale mobiliteit is een illusie, leren we uit deze romans. Wie voor een dubbeltje is geboren wordt zelden een kwartje– en als het al gebeurt, dan is het maar tijdelijk. Door zijn schrijverschap is Nicolas Mathieu zijn sociale klasse ontstegen, net als voor hem Annie Ernaux, Didier Eribon en Edouard Louis . De positie van ‘transclasse’ is lastig. „Als we het over het arbeidersmilieu hebben”, zei Eribon, „is het omdat we eraan zijn ontsnapt, om te laten weten hoe blij we daarom zijn. Daarmee versterk je weer hun ‘status van sociale illegitimiteit’.” Ook Alice Zeniter voelt zich er ongemakkelijk bij: „Je wilt niet als voorbeeld gesteld worden als bewijs dat sociale mobiliteit werkt, want dan suggereer je dat al die anderen, die er niet in slaagden, het aan zichzelf te danken hebben.”

De paradox is dat deze schrijvers een stem geven aan de sociale klasse waaruit ze afkomstig zijn, dat ze voor hen en in hun naam schrijven, terwijl ze in datzelfde milieu niet of nauwelijks worden gelezen. Dat wringt. Maar ze hebben wel een stem gekregen, de jongen uit het arbeidersmilieu, de fietskoerier, de musicus zonder een cent, de schilder uit de provincie, de Senegalese soldaat. Al is het voornamelijk de lezende bourgeoisie die er kennis van neemt.

    • Margot Dijkgraaf