Kinderen maken de politicus mens én onmens

Kinderpardon

In verhalen en optredens spelen kinderen een rol op het Haagse Binnenhof. Handig. Maar het kan anders uitpakken als ze voor je staan. Zoals in Terug naar je Eige Land, over het kinderpardon, deze donderdag op tv.

Presentator Tim Hofman en Alexander Pechtold met de uitgeproceerdeerde asielzoeker Nemr (9). Foto Robin Utrecht/ANP

Je zou kunnen denken dat het anders is, als je het ongemak ziet van de politici in de YouTube-documentaire Terug naar je Eige Land, maar Tweede Kamerleden, ministers en staatssecretarissen zijn dol op kinderen.

VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff – die in de uitzending ‘ja, dus?’ zegt over de kans dat de nu negenjarige Nemr doodgaat als hij wordt teruggestuurd naar Irak – noemde in de Algemene Politieke Beschouwingen in september zijn eigen dochtertje negen keer. Zijn voorganger Halbe Zijlstra kwam twee jaar geleden in het tv-programma Pauw met zijn zoontje als voorbeeld: die was acht, geloofde nog in Sinterklaas en vond Zwarte Piet „de meest coole gozer die er is”. En het jongetje had „echt niks met racisme en discriminatie”.

Diederik Samsom had het als PvdA-leider soms over zijn gehandicapte dochter Benthe, als hij de bezuinigingen van het kabinet-Rutte II op de sociale werkplaatsen verdedigde. Ze kwam samen met haar broertje ook voor in een verkiezingsfilmpje.

Kinderen van de Schilderswijk

Dijkhoff noemde zijn dochter vooral om duidelijk te maken dat hij verder kijkt dan de waan van de dag, híj denkt aan ‘Nederland in 2050’. Politiek strategisch zijn er nog veel meer voordelen. Als je duidelijk maakt dat je met vrachtwagenchauffeurs praat – of leraren, ziekenverzorgers, misschien zelfs met je buurvrouw die arbeidsongeschikt is – maak je van jezelf een ‘gewoner’ mens. Politici kunnen ervan overtuigd zijn dat het zo moet en niet anders. Is er in de Tweede Kamer een debat over marktwerking in de ambulancezorg? Neem zo’n ambulancebroeder mee naar RTL Late Night.

Als je als politicus over je eigen kinderen begint, is het effect nog veel groter: je bent zoals iedereen, jouw zorgen zijn die van ‘de man in de straat’. En als je het goed doet, straalt de vertedering die kinderen oproepen door hun kwetsbaarheid ook een beetje af op jou.

Op een bijeenkomst in de Haagse Schilderswijk, afgelopen woensdagavond, reageerde premier Mark Rutte vriendelijk en welwillend op de eerste vragensteller: een vrouw van een jaar of veertig die bloempatronen maakt om het imago van de wijk te verbeteren. Maar hij hield niet op met glimlachen bij de tweede: een jongen van een jaar of dertien met vragen over het onderwijs in de Schilderswijk. En niet alleen hij, de hele zaal vond het geweldig toen twee kleinere kinderen op het podium kwamen staan om aan Rutte te vragen: „Wat inspireerde u vroeger?”

Het was een kans voor Rutte om weer eens te vertellen over zijn vader, die hem had geleerd om voor iedereen respect te hebben, de professor én de vuilnisman. En over zijn moeder, 94 nu en nog altijd optimistisch over wat er nog moet komen in haar leven. Rutte als gewoon mens met ouders – kinderen heeft hij niet.

Rutte is er natuurlijk wel zelf een gewéést. In de Schilderswijk deed hij daarover een onthulling, in reactie op een vrouw die vertelde over de „gevolgschade” voor de maatschappij van kinderen die niet gepland zijn. „Ik ben zelf een ongepland kind. Dat zijn de beste!” Hij vertelde ook dat hij op school veel ruzie had gemaakt met zijn juffen en meesters.

Een mens en een onmens

Maar zoveel als het je kan opleveren om kinderen te noemen in je verhaal of in je optredens, zo kwetsbaar kan het je maken. Je kunt er meer een echt mens door worden, maar ook net zo goed een onmens.

Wat zeg je tegen een kind dat dreigt te worden uitgezet door jóúw beleid? Als buiten de plenaire zaal van de Tweede Kamer een bijstandsmoeder had gestaan met een microfoon, en iemand als Tim Hofman ernaast, was het voor de fractievoorzitters veel makkelijker geweest om te reageren. Die moet misschien wel ‘aan het werk’, of vrijwilligerswerk gaan doen.

Maar zeg je tegen een kind ‘Ja, ik vind dat jij weg moet, dat vinden mijn partij en ook mijn kiezers’?

In Terug naar je Eige Land zegt PvdA-leider Lodewijk Asscher dat hij het „niet netjes” vindt: Hofman die met een jongetje politici komt ondervragen.

Staatssecretaris Mark Harbers (Asiel, VVD) begon de afgelopen dagen een paar keer over de ouders van de kinderen – dat is veel makkelijker. Over de scènes van Nemr in de Tweede Kamer, zei hij deze week bij Pauw: „Welke ouders sturen hun kind van acht daarheen? Dit zijn ouders die heel ver gaan om te zien of ze hun verblijf in Nederland kunnen rekken.”

Als VVD-fractievoorzitter hield Jozias van Aartsen bij de Algemene Politieke Beschouwingen van 2006 een verhaal over Nederland in 2015, als het „New York van Europa”. Met voor- en naschoolse opvang voor kinderen van de basisschool. Dat was er toen nog niet.

Lees ook: Wat Dijkhoff en Asscher wél hadden moeten zeggen tegen Nemr

En nee, zegt Van Aartsen nu, hij noemde zijn eigen kinderen niet. Hij heeft er drie. „Dat heb ik nooit gedaan. Want je weet dat kinderen er altijd gedoe mee krijgen. Zelf hebben ze er helemaal geen behoefte aan.”

Zijn partijgenoot Stef Blok, in die tijd Tweede Kamerlid met de portefeuille financiën, had zelf kinderen op de basisschool. „Ik heb het hem nooit gevraagd”, zegt Van Aartsen, „maar ik denk dat dat wel meespeelde bij de moeite die Blok daarna deed om die opvang voor elkaar te krijgen, financieel. Hij kende het probleem.” En dan kunnen ze dus zomaar helpen, de kinderen van politici.

    • Petra de Koning