De Kuip, icoon van Het Nieuwe Bouwen

Monument De Kuip verdient meer waardering als monument van moderniteit, niet alleen als stadion.

Foto Rien Zilvold

In Rotterdam debatteren voor- en tegenstanders over Feyenoord City, een (her)ontwikkelingsproject op Rotterdam-Zuid dat voor een belangrijk deel wordt aangejaagd door een nieuw te bouwen stadion. Een ‘iconisch’ stadion, goed voor 63.000 plaatsen, dat rekening houdt met de ‘kenmerkende sfeerbepalende elementen van De Kuip’, aldus de website van Feyenoord City. Wat tegenstanders vooral tegen de borst stuit, is als gesproken wordt over een ‘Nieuwe Kuip’. Want De Kuip is uniek, zo betogen zij. En dat is niet alleen pure voetbalemotie.

Een grondige blik op een oude foto van het Rotterdamse stadion maakt duidelijk dat hierin de handen van architecten Brinkman & Van der Vlugt te herkennen zijn. De stalen spanten met de naar buiten gerichte trappenhuizen, het enorme glas, de bijna zwevende tribune – een typisch bouwwerk in de stijl van Het Nieuwe Bouwen, de bouwstijl die in de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw in zwang was en die stond voor moderniteit en vooruitgang. Het stadion werd na voltooiing gezien als een knap staaltje moderne architectuur. Maar hoe kan het dan dat ik bij Brinkman & Van der Vlugt vooral denk aan de Van Nellefabriek, geworden tot hét icoon van Het Nieuwe Bouwen in Nederland en inmiddels verklaard tot UNESCO-werelderfgoed? Waar ging het in de beeldvorming mis voor De Kuip?

De opdracht voor de bouw van een nieuw voetbalstadion voor de Rotterdamse voetbalclub Feijenoord werd in 1934 verstrekt aan het architectenbureau Brinkman & Van der Vlugt. Door de vele successen van Feijenoord voldeed het terrein aan de Kromme Zandweg, waar de club al sinds 1917 speelde, niet meer. Daar konden maximaal twaalfduizend mensen de wedstrijden volgen, die ook nog eens bijna allemaal moesten staan. De voorzitter van de club, Leen van Zandvliet, droomde groots, veel groter dan het enkele jaren daarvoor opgeleverde Olympisch Stadion in Amsterdam (van architect Jan Wils), dat maximaal dertigduizend toeschouwers aankon. Een voetbalstadion, speciaal ontworpen voor nationale en internationale wedstrijden, dat tenminste 60.000 toeschouwers moest kunnen herbergen.

Het lukte Van Zandvliet uiteindelijk hiervoor binnen de Rotterdamse voetbal- en zakenwereld en de gemeente steun te vinden. De financiering kwam voor een groot deel tot stand door steun van de Rotterdamse havenbaron D.G. Van Beuningen, die zelf een belangrijk deel voor zijn rekening nam, maar die er ook voor zorgde dat vele Rotterdamse notabelen een aandeel in de financiering namen.

Ingenieuze constructie

Het lag voor de hand om het in Rotterdam gevestigde architectenbureau van Jan Brinkman en Leen van der Vlugt te vragen het nieuwe stadion te ontwerpen. De vooruitstrevende Rotterdamse notabelen wilden vooruitstrevende Rotterdamse architecten. Dan kwam je al gauw uit bij het bureau van Brinkman & Van der Vlugt. De architecten bewogen zich in dezelfde kringen, en hun reputatie was gevestigd met de bouw van de Van Nellefabriek.

De architecten, die nog nooit zo’n groot stadion hadden gezien, laat staan ontworpen, ondernamen enkele studiereizen naar de grotere stadions in Europa. Een voorbeeld van een stadion met een dubbele ring van tribunes, Van Zandvliets droom, zag Brinkman tijdens zijn studiereis in Highbury, Londen bij het stadion van Arsenal, maar ook bij de Amerikaanse honkbalstadions, die de architecten kenden uit architectuurtijdschriften. De architecten beseften dat met twee ringen boven elkaar het risico bestond dat bouwkundige steunpunten of dragers het zicht op het veld zouden kunnen belemmeren, zoals in Highbury het geval was. Hieruit kwam het ontwerp voort met een geheel vrijdragende bovenste tribune „gelijk een balcon in een schouwburg”, aldus Brinkman. Daardoor werden bovendien veel plaatsen op de onderste tribune als vanzelf overdekte plaatsen. Een ingenieuze constructie met een iets steilere tweede ring en een iets verhoogd veld, zorgde voor een perfect zicht vanuit alle plaatsen op de (toen nog) houten bankjes van de tribunes.

Elk seizoen krijgt De Kuip een verse grasmat. De Kuip heeft de reputatie de beste mat van Nederland te hebben. Foto Rien Zilvold

Om de toeschouwers zo dicht mogelijk rondom het veld te kunnen plaatsen, kregen de tribunes een licht gebogen vorm en De Kuip werd al snel de bijnaam van het stadion. Het stadion bood plaats aan ruim 61.000 toeschouwers, waarvan ongeveer een derde moest staan. Saillant detail: nadat De Kuip voltooid was, werd in Amsterdam de capaciteit van het Olympisch stadion opgehoogd tot 65.000 toeschouwers. Zo werd voorkomen dat voortaan alle interlandwedstrijden naar De Kuip zouden gaan; de thuiswedstrijden van het Nederlands elftal werden voortaan om en om in Amsterdam en Rotterdam gespeeld.

Lichtheid

Staal was het materiaal waarin de Amerikaanse stadions werden gebouwd, en het werd beschouwd als zeer modern. Staal en beton waren bovendien (nieuwe) bouwmaterialen die met name Van der Vlugt had omarmd vanwege de esthetische mogelijkheden. Over gewapend beton had de Rotterdamse architect J.J.P. Oud al in 1921 geschreven dat het „de mogelijkheid geschapen [heeft] tot eene nieuwe bouwkunstige plastiek, die in combinatie met de uitbeeldingsmogelijkheden van ijzer en spiegelglas – op zuiver constructieven basis – aanleiding kan zijn tot het ontstaan eener bouwkunst van optisch-immateriële, haast zwevende, verschijningskarakteristiek”.

Brinkman en Van der Vlugt behoorden, met Oud, tot de aanhangers van Het Nieuwe Bouwen (indertijd aangeduid als Nieuwe Zakelijkheid of functionalisme). De architecten lieten zich daarbij in hun ontwerpen leiden door de functionele aspecten van het te ontwerpen bouwwerk. De constructieve elementen bleven duidelijk in het zicht en werden niet weggewerkt – bijvoorbeeld achter bakstenen muren – zoals in de meer traditionele architectuur het geval was. Dat het stadion grotendeels in staal werd uitgevoerd was mede doordat in de crisistijd de staalprijs laag was en arbeid goedkoop.

De hoofdingang van De Kuip in 1947. Foto ANP

De stalen spanten die de draagconstructie vormden, domineerden de buitenzijde van het stadion. Ook de naar buiten gerichte en in staal uitgevoerde trappenhuizen vormden een deel van de draagconstructie. De tribunevloeren werden uitgevoerd in beton en gaven daarmee stevigheid aan het staalskelet. Aan de binnenzijde wekte de vrijdragende tweede ring de indruk van een zwevende tribune. Het stadion kreeg daarmee een zekere lichtheid die paste bij de modernistische architectuur uit de eerste helft van de vorige eeuw. Bij De Kuip werd deze lichtheid nog versterkt door de buitengevel tussen de onderste en de bovenste ring in transparant glas uit te voeren.

Geschiedschrijving

Staal, glas en beton waren ook de bouwmaterialen die de architecten gebruikt hadden bij de tussen 1927 en 1930 gebouwde Van Nellefabriek. Het fotogenieke gebouw werd direct na voltooiing door velen beschouwd als voorbeeld van de vooruitgang in de ontwikkeling van Rotterdam en het werd veelvuldig afgebeeld. De Amerikaanse architectuurcriticus Henry-Russell Hitchcock schreef eind twintiger jaren over de nieuwste ontwikkelingen in de architectuur in Europa. Toen hij in 1932 betrokken raakte bij het opstellen van een architectuurtentoonstelling in het Museum of Modern Art in New York (de eerste architectuurtentoonstelling die daar ooit werd gehouden) liet hij vooral afbeeldingen zien van de modernistische bouwwerken uit Europa. En daar hoorde ook de Van Nellefabriek bij.

Cor Kraat maakte aan de zuidzijde van het stadion een grote abstracte glaswand, om het behalen van de Europacup en de wereldbeker te memoreren. Foto Rien Zilvold

De tentoonstelling bleek zeer invloedrijk en de tentoongestelde gebouwen kregen direct een groot internationaal publiek. De door Hitchcock geselecteerde gebouwen werden vanaf toen met zekere regelmaat gereproduceerd in (studie)boeken en artikelen over de nieuwe bouwstijl uit het interbellum, nog tot ver in de twintigste eeuw. Hierdoor werd de Van Nellefabriek hét icoon van Het Nieuwe Bouwen in Nederland. De Kuip was nog niet gebouwd, lag zelfs nog niet eens op de tekentafel, toen Hitchcock zijn tentoonstelling samenstelde. En De Kuip kreeg in de geschiedschrijving dan ook nooit die aandacht en roem die de Van Nellefabriek wel heeft gekregen.

Van der Vlugt maakte de opening van het stadion niet meer mee. Hij overleed op 25 april 1936. Het door Le Corbusier – dé architect van het modernisme – geschreven in memoriam gaat bijna uitsluitend in op de Van Nellefabriek. Drie jaar nadat de openingswedstrijd in De Kuip gespeeld was, brak de Tweede Wereldoorlog uit en het voetbal werd na enige tijd stilgelegd. Na de oorlog verschoof de aandacht voor de moderne architectuur naar Amerika (waar vele moderne Europese architecten naar toe waren gevlucht) en, in eigen land, naar de wederopbouw.

De bestaande iconen uit de begintijd van Het Nieuwe Bouwen kregen in de literatuur een nog hogere status als pioniers van de moderne architectuur. Voor nieuwe iconen was geen plaats meer. Ik kan niet anders concluderen dan dat de geschiedschrijving De Kuip in de steek gelaten heeft.

‘Gifmoord’

Het Feijenoordstadion groeide uit tot een van de meest bejubelde voetbalstadions, zowel door toeschouwers als door voetballers. Vooral de intieme sfeer die de licht gebogen kuipvorm en de geringe afstand tot het veld opriepen, was hier debet aan. Maar niet alles bleef zoals het was. In de jaren tachtig werd de glaswand tussen de eerste en tweede ring vervangen door golfplaten en trespapanelen: goedkoop, onderhoudsvrij en met een lange levensduur. Het glas kon niet meer, vandalisme vormde hiervoor een te grote bedreiging. Ook bleef steeds meer onderhoud achterwege. De architectuurhistorici Ids Haagsma en Hilde de Haan omschreven deze periode als een gecalculeerde, sluipende en langzame gifmoord op het stadion. „Maak van De Kuip een donker en bedompt hol, laat het onderhoud op zijn beloop, en opper dan het idee het stadion te slopen. Dat was de politiek”, aldus de schrijvers.

Foto Rien Zilvold

Begin jaren negentig volgde evenwel een complete renovatie. Deze renovatie en de in de loop der jaren aangebrachte wijzigingen hebben het oorspronkelijke concept tenietgedaan. Wie nu met een rondleiding het stadion bezoekt, ziet een behoorlijk vervallen en in slechte staat verkerend bouwwerk. Het lijkt erop of opnieuw een politiek van achterstallig onderhoud tot sloop gaat leiden. Het lichte en ruimtelijke stadion is verworden tot een allegaartje waarbij de trotse en transparante uitstraling is verdwenen. Om te voorkomen dat De Kuip bij het grofvuil eindigt, is een nieuwe jas nodig. En wat kan die jas beter zijn dan een met respect voor Brinkman & Van der Vlugts meesterlijke concept gemoderniseerd voetbalstadion. Want het behoud van de oorspronkelijke functie is nog altijd de beste remedie tegen onnodige verminkingen en voorgoed verval. En dan zou De Kuip best wel eens UNESCO-waardig kunnen blijken.

De auteur heeft dankbaar gebruik gemaakt van de analyse van het stadion van Crimson Architectural Historians uit 2012 en van het boek van Melchior de Wolff Stadion Feijenoord: Het Origineel 1937-1997.
    • Joke Reichardt