Opinie

    • Floor Rusman

De nieuwe identiteit: ik ben wat ik stem

Triomfantelijk werd woensdag een lijstje met namen rondgetwitterd: de eerste moslima’s in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, de eerste zwarte vrouwen uit Connecticut en Massachusetts, de eerste openlijk lesbische vrouw uit Kansas.

Het lijstje is typerend voor deze Congresverkiezingen, die in het teken stonden van identiteiten. Maar ondanks deze immense aandacht wordt over de relatie tussen identiteiten en politiek nog steeds vaak simpel gedacht: identiteiten zijn stabiel en ze gaan aan de politieke keuze vooraf, is de aanname.

Deze week las ik een paar interessante kanttekeningen bij dat idee. Zo publiceerde de Britse hoogleraar politicologie John Curtice onlangs een onderzoek over ‘de emotionele erfenis van Brexit’. Net als kiezers in andere landen voelen steeds minder Britten een sterke ‘identificatie’ met een politieke partij: nog slechts 9 procent voelt zich sterk verbonden met een partij, en 28 procent redelijk sterk. Maar dat ligt compleet anders als het gaat over hun stem bij het Brexitreferendum (2016): maar liefst 44 procent voelt zich zeer sterk een Leaver of Remainer, en nog eens 33 procent redelijk sterk. Dat betekent, concludeert Curtice, dat mensen nu Leaver of Remainer zijn op dezelfde manier waarop ze bijvoorbeeld Manchester United-supporter zijn.

Je politieke keuze zelf kan dus een deel worden van je identiteit. En die identiteit vormt vervolgens weer wat je vindt: uit onderzoek van hoogleraar politicologie Sara Hobolt blijkt dat Leave- en Remainstemmers die nu erg van elkaar verschillen in bijvoorbeeld hun kijk op de economie, er vóór het referendum vaak nog hetzelfde over dachten. Zoals Curtice schrijft: dat rationele, sceptische electoraat dat zich helemaal zelf een mening vormt, bestaat nog steeds niet. De Brexit is een nieuw vehikel voor volautomatische standpuntbepaling.

De Amerikaanse politicoloog Patrick Egan gaat in een recente paper nog verder: sommige Amerikanen brengen niet alleen hun ideeën, maar ook delen van hun sociale identiteit in lijn met hun politieke identiteit. Zo waren de Democraten in Egans panel gedurende de vier jaar dat hij ze volgde veel eerder dan de Republikeinen geneigd uit het geloof te stappen en/of zich ineens te identificeren als van Afrikaanse, Aziatische of Latijns-Amerikaanse komaf.

Politieke identificatie bepaalt een steeds groter deel van onze identiteit, schrijft Egan, net als Curtice en Hobolt. Hoe zit dat in Nederland, vroeg ik me af. Hoe sterk hangen wij onze identiteit op aan onze politieke keuze? Zijn er ook bij ons nieuwe scheidslijnen, zoals in het Verenigd Koninkrijk?

Wat blijkt: wij zijn weer eens het genuanceerde, gematigde jongetje van de klas. Er is geen Nederlands equivalent van de sterke politieke identiteiten in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, antwoordt Armèn Hakhverdian, politicoloog aan de UvA, op mijn vraag. Mensen identificeren zich weliswaar soms als links of rechts, maar Hakhverdian schat in dat die identificatie met minder intensiteit gepaard gaat dan in de VS of het VK.

Dat krijg je, in een honderd-en-éénpartijenstelsel. Dan is het voor niemand meer duidelijk wat je eigenlijk bént als je ergens op stemt. Buiten de politiek wordt intussen wel geëxperimenteerd met polarisatie: de Randstad versus de provincie, of zwart versus roetveeg. Maar tot duidelijk afgebakende kampen hebben deze pogingen nog niet geleid.

Saai, kun je denken: heldere identiteiten zijn leuker dan de janboel waarin wij onze weg moeten vinden. Maar vergeet niet dat we die heldere identiteiten al eens hebben uitgeprobeerd, namelijk in de verzuiling. Toen was het voor iedereen duidelijk wie hij was en wat hij vond. Dat was pas saai!

Floor Rusman is redacteur van NRC
    • Floor Rusman