Recensie

De goddelijke architectuur van Gaudí (en de Amsterdamse School)

Expositie Dat de architectuur van De Amsterdamse School veel verwantschap vertoont met die van de Barceloneze Gaudí wordt duidelijk op een schitterende tentoonstelling in Het Schip.

De Dageraad, M. de Klerk en P. Kramer, 1918-1923 Foto Museum Het Schip

‘Dit is Gaudí in baksteen”, zei mijn Nieuw-Zeelandse zwager in 2016 toen hij voor het eerst Het Schip zag, het beroemde Amsterdamse-Schoolgebouw in de Spaarndammerbuurt. Hij was niet de eerste die dit vaststelde. Al in 1928 zette het Britse weekblad The Illustrated London News onder de kop ‘Modernist architecture in Barcelona and Amsterdam’ Casa Milà, het golvende appartementengebouw van Antoni Gaudí (1852-1926) in Barcelona uit 1910, op één pagina met Amsterdamse-Schoolgebouwen.

Hiervan is vooral het woningblok in de Pieter Lodewijk Takstraat uit 1923, met zijn bakstenen welvingen nauw verwant met La Pedrera (de steengroeve), zoals de bijnaam van Casa Milà al gauw luidde. Barcelona is met gebouwen die lijken op „vreemde orchideeën in een kas” de „meest fantastische stad ter wereld”, zo valt te lezen in de begeleidende tekst. „En de moderne architectuur van Holland is een voorbeeld voor heel Europa.”

De opengewerkte maquette van Casa Milà. Gaudí, 1910. Foto Herman Bunzing

De pagina uit The Illustrated London News is nu te zien op de prachtige tentoonstelling Gaudí en de Amsterdamse School in Museum Het Schip. Aan de hand van onder meer ontwerptekeningen, originele meubels, keramische tegels en voorwerpen als een Nautilusschelp worden op de bovenste verdieping van Het Schip op overtuigende wijze de vormverwantschappen duidelijk gemaakt tussen Gaudí’s architectuur en die van Amsterdamse-Schoolarchitecten als Michel de Klerk (1884-1923) en Piet Kramer (1881-1961). Juist omdat Gaudí en de architecten van de Amsterdamse School elkaars werk niet of nauwelijks kenden, zijn die frappant.

Het grootste verschil is dat de gebouwen van Gaudí veelal kleuriger en uitbundiger zijn dan die van de Amsterdamse School. Maar dit blijkt vooral een kwestie van bouwbudgetten. Terwijl De Klerk en Kramer in opdracht van woningbouwverenigingen goedkope ‘arbeiderspaleizen’ ontwierpen, bouwde Gaudí meestal met vrijwel onbeperkte budgetten ‘herenhuizen’ voor steenrijke Catalaanse industriëlen als Güell en Battlo. Maar als de Amsterdammers niet op iedere cent moesten letten, gooiden ook zij alle remmen los. Zo doen hun meubels voor welgestelde opdrachtgevers op de tentoonstelling niet onder voor die van Gaudí.

De verwantschap tussen het werk van de Barceloneze architect en de Amsterdammers valt terug te voeren op de natuur als inspiratiebron. Veel onderdelen van Gaudí’s ontwerpen zijn gebaseerd op natuurlijke vormen. Zo lijken de vertakte zuilen in de Sagrada Familia, de immense kerk in Barcelona waaraan nog altijd wordt gebouwd, sprekend op bomen.

„Wie de wetten van de natuur gebruikt om zijn gebouwen te ondersteunen, werkt samen met de schepper”, zei de diep gelovige, rooms-katholieke Gaudí eens over zijn ontwerpen. H.Th. Wijdeveld(1885-1987), hoofdredacteur van het tijdschift Wendingen, de spreekbuis van de Amsterdamse School, beweerde bijna hetzelfde toen hij de tekst schreef die nu op een muur in Het Schip staat: „Schelpen zijn de architectuur van God zelf. Is dit niet iets om voor te buigen? Is dit niet iets om een traan voor te hebben?” Wijdeveld wijdde dan ook themanummers van Wendingen aan schelpen en kristallen.

Foto’s Museum Het Schip

Wegens de vele versieringen keken Nieuwe Bouwers als Le Corbusier (1887-1965) neer op Gaudí en de Amsterdamse School. Architecten als De Klerk en Kramer waren in wezen niet meer dan decorateurs die slechts geinige geveltjes ontwierpen, vonden ze. Over Gaudí zei Le Corbusier eens misprijzend dat hij „het karakter van een timmerman” had. De grote verrassing van Gaudí en de Amsterdamse School is dan ook de opengewerkte maquette van Casa Milà. Hieruit blijkt dat Gaudí veel meer dan een timmerman was en al in 1910 vier van de beroemde ‘vijf punten van een nieuwe architectuur’ had toegepast die Le Corbusier in 1926 met veel bombarie had geformuleerd. In Casa Milà dragen de kolommen (punt 1 van Le Corbusier) niet alleen de vloeren en het dak, maar maken ze ook de vrije, open plattegrond (punt 5) van de appartementen mogelijk. Ook zijn de golvende gevels van de steengroeve typische ‘façades libres’ (punt 3) zonder dragende functies. Alleen Le Corbusiers vierde punt, lange horizontale ‘bandramen’, komt niet voor in Casa Milà. Maar een daktuin (punt 2) heeft Gaudí’s meesterwerk weer wel: bewoners en bezoekers van La Pedrera kunnen een wandeling maken over het dak langs de schoorstenen en ventilatieschachten die de vorm van vreemde, organische sculpturen hebben gekregen.

Schoorstenen op het dak van La Pedrera. Gaudí, 1906-1912.
Foto’s Museum Het Schip
Vogels in de gevel van Het Schip M. de Klerk en H. Krop, 1919
De Dageraad, M. de Klerk en P. Kramer, 1918-1923
Foto Museum Het Schip
Façade van La Pedrera, Gaudí en J.M. Jujol, 1906-1912.
Foto Museum Het Schip
    • Bernard Hulsman