Regisseur Eric de Vroedt (op de rug gezien) geeft acteurs aanwijzingen tijdens een repetitie van ‘We zijn hier voor Robbie’ van Het Nationale Theater. Van links naar rechts: Tamar van den Dop, Stefan de Walle, Yela de Koning, Bram Suijker, Romana Vrede.

Foto David van Dam

Hoe regisseur Eric de Vroedt acteurs laat excelleren: ‘Ze worden wel eens gek van me’

Longread Theaterregisseur Eric de Vroedt weet het talent van zijn acteurs maximaal uit te buiten. NRC kreeg acht weken lang vrije toegang tot de repetities van zijn nieuwe voorstelling bij Het Nationale Theater: ‘We zijn hier voor Robbie’. Hoe gaat De Vroedt te werk?

‘Jij haat alles en iedereen, dus je bent leeg vanbinnen.” „Ik neem dit niet serieus. Jullie zijn wit, rijk, verwend.” „Wat lul jij!” „Wat een poppenkast.” „Je probeert niet te helpen, je hebt alleen maar oordelen.” „Dat niet iedereen zelfmoord heeft gepleegd in dit gezin.”

Dit zijn niet de subtiele teksten van Maria Goos voor haar nieuwe toneelstuk We zijn hier voor Robbie bij het Nationale Theater. Integendeel. Dit zijn de zwarte, koude gedachten die de personages zouden kunnen hebben, maar niet uitspreken. De acteurs verzinnen ze zelf in een improvisatie. Het is de eerste week van het repetitieproces en de acteurs gooien zich er vol in. Een tikje beangstigend is deze improvisatie zelfs, bij vlagen, zo fel en vuil gaat het eraan toe.

Regisseur Eric de Vroedt moedigt ze aan. Acteur Bram Suijker dikt de gekte van zijn personage Bas aan door als een aap op tafel te springen en een ghugl-keelklank aan te houden. Hij gaat maar door, terwijl zijn moeder, Tamar van den Dop, vertwijfeld roept dat hij moet stoppen. De Vroedt (1972) glimlacht: „Nee, niet leuk Tamar? Ga door.”

Maar de bonte verwijten zijn minder bruikbaar, vindt hij. Beter te spreken is hij over de momenten dat de ruzie naar binnen slaat. Daar voelde hij „de gekwetstheid van iedereen”.

Die emotie sluit beter aan op We zijn hier voor Robbie¸ een familiedrama met een thrillerelement. Een jaar na de zelfgekozen dood van Robbie komt een rijke Haagse familie bijeen voor een herdenking in het ouderlijk huis, een monumentale villa met koloniale grandeur. Alle betrokkenen hebben zo hun malheur, blijkt tijdens een lange avond waarin de familieleden soms hard met elkaar botsen. Waar hun pijn zit, komt in brokken naar buiten, onderdrukt, gemaskeerd, weggeredeneerd. De een had een psychose, anderen misschien een burn-out of depressie. En iedereen voelt zich ergens schuldig aan de dood van Robbie.

Vrouw op zolder

In het huis wonen de ouders van Robbie, pater familias Isaac (Stefan de Walle) en Annet op zolder. Robbies broer Marius (Mark Rietman) is er ingetrokken met zijn nieuwe vriendin, Linda (Mariana Aparicio Torres). Op bezoek komen de ex van Marius, Barbara (Tamar van den Dop), en hun volwassen kinderen, Bas (Bram Suijker) en Suzanne (Yela de Koning). De dochter, die werkt bij haar moeder, heeft een relatie met collega Willemijn (Romana Vrede).

Wie is wie in ‘We zijn hier voor Robbie’? Beweeg over de foto voor een beschrijving.

Acht weken hebben regisseur en acteurs om vanuit de impliciete dialogen en de onderhuidse spanningen die Goos heeft gecreëerd naar afgeronde personages en spannend drama te komen. Maskers moeten afvallen en geheimen onthuld: wat is er echt gebeurd met Robbie?

Repeteren blijkt een intensief proces waarbij de acteurs soms met grote sprongen, maar vaker met kleine stapjes en duwtjes vooruitgaan.

Vanaf de eerste lezing, begin september, heeft De Vroedt het over wat het stuk wil zeggen en wat de personages bedoelen. En hij praat altijd snel en veel. Zo ook bij de improvisatie: „Het stuk is ook een hel waar je niet uit lijkt te kunnen ontsnappen. Maar er moet steeds iets aan de hand zijn: een eruptie, een initiatief of een geladen stilte. Opgeven kan niet. Ieder personage heeft een doel met deze avond.” Dat is „de lange lijn” van het personage die de acteurs voor zichzelf moeten zoeken. Het is een thema waar hij op zal blijven terugkomen.

Aanbod

Een week na de improvisaties wordt er met de toneeltekst van het eerste van de vier delen van het stuk geoefend, zoveel mogelijk uit het hoofd. In een studio van het Nationale Theater, een gebouw naast de Koninklijke Schouwburg in Den Haag, repeteren de acteurs eerst aan tafel, dan op het podiumpje, in kostuum. Aanbod is een centrale term bij de repetitie: dat is wat de acteurs uit zichzelf laten zien, een oplossing of aanpak voor een scène. Suijker komt op met een sponsje. De Vroedt: „Geen telefoon?” Suijker: „Dit is een telefoon.” Vrede: „We acteren. Dit is theater.” De Vroedt: „Hier kan ik nooit tegen. Dat weten jullie.” Suijker: „Die jongen heeft een psychose. Dit is aanbod.” Iedereen lacht.

Suijker, na afloop: „Eric houdt van veel aanbod en van snel beslissen. Ik hoef me niet kut te voelen als hij nee zegt of te vragen waarom. Hij zegt: nee, ja, nee, ja. Dat is lekker repeteren.”

Eric de Vroedt werkt uiterst geconcentreerd en onvermoeibaar tijdens repetities en vraagt totale toewijding van acteurs. Tijdens de repetities onderbreekt hij hun spel voortdurend om aanwijzingen te geven.

Foto David van Dam

Als hij regisseert, staat De Vroedt meestal als een ongeduldig, bijtgraag roofdier enkele passen van zijn acteurs af, het hoofd iets tussen de schouders getrokken, in volle concentratie toekijkend. Hij onderbreekt het spel voortdurend, om de paar zinnen. Meestal met een „sorry-sorry”. Dan volgt de aanwijzing, geredeneerd vanuit de situatie en de psychologie van het personage en soms vanuit het perspectief van de toeschouwer. Zoals tegen De Walle, de grootvader die in het eerste deel veel tekst heeft: „Jij hebt zoveel beelden. Ik ga met je mee als je die neerzet en als je geniet van wat het jou geeft. Anders verdwaal ik.”

„Crazy precies”, noemt Suijker De Vroedts aanpak. Die precisie bereikt de regisseur, die is opgeleid als acteur, mede door veel voor te doen: toon, klemtoon, volume. Zoals wanneer De Koning bij één zin een stemmetje van afkeuring moet opzetten. Hij zegt erbij: „Even een masker opzetten en dan weer loslaten.”

Er is ook aandacht voor de fysieke dimensies van het spel. Als De Walle een hand in de nek van zijn kleinkinderen legt als hij ze meewarig toespreekt, suggereert De Vroedt dat hij iets gemeens doet: „Leuk-gemeen.” Even knijpen. En als opa Isaac een keer boos uitvalt, wil De Vroedt dat de vier anderen stilvallen in een freeze. Als ze dat oefenen, zwaait hij als een dirigent, met twee handen, om iedereen na de freeze weer tegelijk in beweging te zetten. Als De Walle de eeuwenoude geur van wasgoed opsnuift met zijn handen als kommetje, zegt De Vroedt tegen De Walle: „Dirigeer dat ook. Even samen ruiken.”

Regisseur Eric de Vroedt geeft acteurs aanwijzingen tijdens een repetitie van van het eerste deel van We zijn hier voor Robbie van Het Nationale Theater. „In deel 1 is Stefan aan zet, maar nemen anderen steeds de bal over.” Links Yela de Koning, rechts Stefan de Walle.

Foto David van Dam

Concept

Heeft hij van tevoren een concept bedacht, vraag ik na afloop. Ja, zegt Eric de Vroedt, net als bij Race en The Nation: een tweespalt. „Er is een zware onderlaag: zelfmoord, vechtscheiding, psychose, vrouw op zolder. Die onderlaag is dramatisch, maar onuitgesproken, want dat is de code van het milieu. Dat is de lange emotionele lijn; interessant voor de acteurs. Daaroverheen bouwen we aan een brechtiaanse laag van humor, satire en grappen. Ik wil dat de acteurs in een spagaat terechtkomen. Waarbij emotionele gevoelens almaar groter worden – tot ze tot een uitbarsting komen.”

Wat hij concreet heeft voorbereid, zijn de zetten, een andere cruciale term in het regisseren van De Vroedt: wie heeft de lead in de scène, wie zet de toon, wie valt aan. „Als je dat niet indeelt, valt iedereen tegelijk aan, of nog erger, neemt niemand de verantwoordelijkheid. In deel 1 is Stefan aan zet, maar nemen anderen steeds de bal over.”

Bij deze voorstelling laat hij meer aan de acteurs over dan normaal, zegt hij. „Omdat ik de acteurs ken en vrij ontspannen ben bij hen, haal ik de vormpjes – het lopen en handelen, de grapjes – puur intuïtief uit het moment. Bij repeteren is de eerste impuls van acteurs vaak goed, maar dan zie je ze daarna weer iets anders doen en het om zeep helpen. Mijn taak is te wijzen op die eerste impuls.”

Op de vraag of een acteur alles moet doen wat hij zegt, volgt zowaar niet meteen een antwoord. Hij peinst. Lacht: „Dat is een veel te lange pauze.” Dan: „Nee. Maar ik vind het wel moeilijk als iemand wat ik wil niet tot stand brengt. Maar dat hoeft niet via de ideetjes te zijn die ik aanbreng, als de centrale gedachte, de meerlagigheid maar overeind blijft.”

Hoe dwingend vindt De Vroedt zichzelf, op een schaal van 1 tot 10? „Een negen. En een half. Het erge is: als ik een hele dag zo bezig ben, ga ik het ook thuis doen. Dan zegt Herien [zijn vrouw, toneelrecensent Herien Wensink, red.]: je bent geen regisseur hier.” De Vroedt zit er zo bovenop dat acteurs wel eens gek van hem worden. „Dat is ook vaak tegen me gezegd. Zeker bij mijn regies bij Toneelgroep Amsterdam, waar Ivo van Hove zijn acteurs alle vrijheid geeft. Dan moet ik mezelf dwingen in een stoel te blijven zitten, om mijn commentaar op te schrijven en op een andere manier over te brengen.”

Eric de Vroedt instrueert zijn acteurs tijdens een repetitie van ‘We zijn hier voor Robbie’ van Het Nationale Theater, in het decor, op het podium van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Van links naar rechts: Romana Vrede, Yela de Koning, Stefan de Walle, Bram Suijker, Mariana Aparicio Torres, Tamar van den Dop.

Foto David van Dam

Weerstand

Bij de repetitie die dag blijkt hoe De Vroedt om kan gaan met weerstand. Als zijn opa het aanstaande feestmaal beschrijft, reageert Bram Suijkers personage Bas met „Alles voor Robbie natuurlijk”. De Vroedt vraagt Suijker of hij die zin een up kan geven, een cynische up. Waarop Suijker zegt dat hij „niet mee” is met „dat cynisme” van Bas. „Hij klinkt veel te vlot. Hij komt net uit de kliniek.” De Walle suggereert dat hij de tegenwerpingen van Bas ook intelligent kan laten klinken. Suijker: „Dat ik de waarheid zeg: oké. Maar de omweg van de ironie maakt er pingpongen van.” De Vroedt vraagt wat hij dan wil. Suijker suggereert enkele van zijn interrupties te schrappen. Laten we dat nog even uitstellen, antwoordt de regisseur. „Tot nu toe vind ik je figuur wel helder.”

De week erna wordt op vrijdagochtend gewerkt aan de eerste twee delen. De Vroedt zit er weer bovenop. Tegen Suijker: „Incasseer de intimidatie en breek er gelijk weer doorheen. Jij spreekt de waarheid, zij zijn gek.” Incasseren is een term die vaker valt, net als luisteren. Niet anticiperen op wat gezegd wordt. De tekst moet niet klaarliggen, houdt de regisseur zijn spelers voor.

VIDEO Eric de Vroedt heeft als regisseur zijn eigen jargon, met woorden als ‘onderlaag’. Video door Ron Rijghard.

Niet dat de tekst er al moeiteloos uitkomt. De acteurs maken geregeld fouten. Dat is geen probleem, zegt De Vroedt desgevraagd. „Soms is het wel irritant, maar ik weet dat het goed komt.”

Een act die Suijker heeft bedacht voor Bas, een koloniale speech als betovergrootvader, wordt op luid applaus en bravo onthaald. „Een nachtmerrie”, zegt Vrede. „Het verleden komt tot leven. Heel tof. Hier kan de voorstelling veranderen.” De Vroedt is ook enthousiast, maar laat zich niet uit over de bruikbaarheid. Liever kijkt hij terug op de doorloop. In de scène aan de eettafel moet meer energie komen. „Misschien gaan we helemaal niet aan tafel”, suggereert Rietman.

Toewijding

Twee weken later blijkt Tamar van den Dop een dag ziek te zijn. Dat belemmert de voortgang en De Vroedt toont zijn irritatie. Het is een monomaan trekje van een regisseur die totale toewijding vraagt. Hoe veeleisend hij is, klinkt door als de acteurs na de lunch grapjes maken over een actrice die op de groepsapp van de acteurs had gezegd dat ze zich „uitgewoond” voelde na een repetitie. De Vroedt: „Voelen jullie dat allemaal? Want ik hou me nog in.” Suijker: „Je houdt je in? Man, als jij er nog een schepje bovenop doet, krijg ik een beroerte.”

De Vroedts drang blijkt vaker die dag, zoals bij een typerend grapje als Vrede naar het toilet moet: „Moet je plassen? Ik niet. Jij mag alleen plassen als ik ga plassen.” Grappig wordt het als De Vroedt over het hoofd ziet dat de assistent van de regieassistent, Sterre Bolluijt, met tekstboek invalt voor Van den Dop. Bij een scène springt hij op om de timing te corrigeren. Hij begint te praten, maar stopt zichzelf: „Ik ga nu tegen Sterre in, sorry-sorry, ga maar door.”

Daar komt bij dat De Vroedt aanwijzingen van acteurs en zijn assistent soms niet lijkt te horen. Als zijn assistent, Abdel Daoudi, dat een keer opmerkt, troost Vrede hem: „Hij is regieassistentdoof.”

Anderzijds wordt de regisseur niet moe zijn aanwijzingen te herhalen. Bijvoorbeeld tegen De Walle: „Jij krijgt die hoestbui. Wel mooi als je dan echt niet goed wordt en er even in blijft hangen. En dat je dan in een andere stemming weer overeind komt.” De Walle: „O, oké.” Het is precies wat De Vroedt drie weken eerder opmerkte. Ook de grote lijnen worden erin gestampt. De tekst moet gaan ademen en niet één lange riedel met interventies worden, herhaalt hij. „De onderlaag, waarbij een personage met 3-0 achterstand binnenkomt en voelt dat er weer niet wordt geluisterd, moet hier al worden opgebouwd.”

Na het omkleden wordt de openingsscène geoefend. Richting en intensiteit komen aan bod. De Vroedt zegt De Walle dat hij de gloed waarmee hij zijn koloniale huis aanprijst „best mag uitmelken”. Een keer erna doet De Vroedt ook de handeling voor, wijzend in de lucht: „Haal het maar uit de schouwburg, alsof je iedere balk, iedere spijker kent.” De toon is goed, voegt hij eraan toe.

Yela de Koning moet werken aan de manier waarop ze „Willemijn” zegt, als ze haar grootvader verbetert die haar vriendin Willemien noemt. De eerste keer: „Het mag wel klinken alsof je het al tien keer hebt gezegd. Dat is jouw 3-0 achterstand.” De tweede keer: „Er mag ook humor in klinken.” Ook bij De Walle hamert hij op één woord, een ‘ja’. Vroedt: „Dat mag met enthousiasme, omdat je onderbroken werd en dan weer door kan met je verhaal.” De tweede keer beeldt hij de energie die hij wil voelen uit met een vuistslag in de lucht: „Jazeker!”

Scènefoto van ‘We zijn hier voor Robbie’ van Het Nationale Theater. De familie gaat aan tafel. Van links naar rechts: Mark Rietman, Mariana Aparicio Torres, Tamar van den Dop. Op de rug gezien: Yela de Koning en Bram Suijker.

Foto Kurt van der Elst

Stil spel

Ook het stil spel wordt besproken. Als De Walle jubelt over al het personeel dat er vroeger was, moeten de kleinkinderen een blik wisselen, maar niet de ogen ten hemel slaan, want dan zetten ze opa weg als een gek. Vrede vraagt of ze het wegdraaien van drie personages die willen weglopen „strak” kunnen maken. Synchroon, bedoelt ze. Ja, zegt De Vroedt. Vrede geeft aan: op „Kunnen we beginnen” een draai, op „kinderen” een draai terug.

Zo is er meer ruimte voor de creativiteit van de acteurs. In deel 2 hebben vader Marius en zoon Bas een onwennige begroeting. Suijker: „Is het niet fijner dat we gewoon handen schudden? Mijn pa komt binnen en dan schiet ik in het gelid. Maar dan gaat het handen schudden zo chill dat ik nog een keer wil. Dan wordt het weird.” De Vroedt: „Ja, is goed.”

Rietman en Suijker oefenen het hand schudden van vader en zoon. De Vroedt tegen Rietman: „Jij mag na de tweede keer wel even omkijken naar hem om te zien of het wel goed met hem gaat.” De Walle: „Ik vind het mooi. Heel hulpeloos dat hij twee keer handen wil schudden.”

VIDEO Eric de Vroedt onderbreekt zijn acteurs voortdurend. Hier bij Tamar van den Dop en Mariana Aparico Torres. Video door Ron Rijghard.

Tegenover deze ingetogen momenten staat de wens om verheviging. De Vroedt laat De Walle enkele malen zijn uitval doen als anderen Isaac tegenspreken. De zin „Ze moet toch weten waar ze is”, speelt hij eerst onderkoeld, dan heftig schreeuwend. De heftigheid bevalt De Vroedt beter. Ook als inspiratie voor de anderen. Tegen Suijker: „Bas moet in die schreeuw de gekte herkennen van de familie.” En De Koning kan aanhaken bij de overdosis stress die haar Suzanne ervaart. „Als jij op hem reageert, horen we je burn-out-stem.”

Maar niet alles moet expliciet worden. Dat komt onder meer uit als Isaac zegt dat de familie nooit dol is geweest op „noviteiten”. Grootvader, een wandelend anachronisme, doelt op de vooruitgang, maar gericht op een zwarte vrouw zijn zijn woorden ook anders uit te leggen. „Mooi hoe je dat opvat”, zegt De Vroedt tegen Vrede over haar neutrale blik. Vrede vraagt: „Moet ik niet meer dit doen…” en trekt een misprijzend gezicht. Dat is niet de bedoeling.

Tekst schrappen

Met nog drie weken te gaan zijn de repetities bij het vierde en laatste deel aangekomen. In deel drie is de buurvrouw van Robbie langsgekomen, die meer lijkt te weten over zijn dood. Maar ze wil praten met zijn moeder, Annet, die op zolder ligt. De Vroedt: „De komst van Jessica is de grote omslag in de avond. Zij doet insinuaties: dat er beloftes zijn gedaan, dat Robbie hier nog een laatste keer was. Alles staat opeens in een ander perspectief. De vraag wat er met Robbie is gebeurd, wordt meer een thrillervraag. Wat is er verzwegen?”

Die dreiging moet voelbaar worden. Maar eerst gaat er tekst geschrapt worden. De Vroedt: „Ik heb een groot aantal zinnen tussen haken gezet. Want als het gaat over het gesprek boven, is er veel wat ophoudt.” Vijf of zes zinnen gaan eruit, waaronder een zin van Vrede. Die grapt: „Ik had één zin. Zie je hoe dat gaat? Ik ben blij dat er iemand van de krant bij is.”

Er zijn nog meer opmerkelijke veranderingen. Vrede heette Willemijn: „Ik heet nu Willem.” Van den Dop verbaasd: „Ja?” Vrede lacht: „Ik heb het gevoel dat het een coming-out is.” Of Wil, wordt geopperd. Of Willy. Daoudi: „Is het een afkorting of een genderkeuze?” De Vroedt: „Gender.” Daoudi: „Dan ga je er toch meteen in mee.” Na meer discussie stelt De Vroedt een besluit uit.

Een toneeltekst is onder meer een heerlijke gezinspuzzel. De groep discussieert lang over de interpretatie van één claus van Barbara. Die luidt: „Misschien was wat Robbie gelukkig maakte niet iets waar je oud mee wordt. Het was in ieder geval niet iets met familie. Het was misschien iets eenzaams.” Eigenlijk snapt niemand deze zinnen. Aparicio Torres leest er een ontkenning in van de schuld van de familie bij zijn zelfmoord. Met in de eerste zin „een mooi inzicht”. De Vroedt zegt: „Raar dat dat ‘gelukkig’ opeens opduikt.” Dramaturge Barelds ziet twee losstaande delen: „De eerste zin gaat over wat hem gelukkig maakte. Daarna gaat het over wat hem zelfmoord deed plegen. Dat moet iets eenzaams zijn geweest.” De omgekeerde mogelijkheid – dat familie Robbie niet gelukkig maakte en dat „iets eenzaams” hem wel gelukkig maakte – wordt niet geopperd.

Sleutelen

Het blijft ook na geregelde bezoeken aan de repetities fascinerend om het sleutelen aan de tekst te aanschouwen. De Vroedt vraagt om meer energie, een demonstratiever spreken, sneller „opendraaien” (richting publiek kijken), luisteren tot het laatste woord van de ander is gezegd. Er is nog een jargonwoord: tekst moet klinken (luid en duidelijk).

Elke frase wordt vele malen doorgenomen: betekenis, ritme, toon, klemtoon. De Vroedt praat in op Aparicio Torres, die begin deel vier enkele lastige schakelingen moet maken: „De hoogte in: Toen herkende ik je lách. En dan moet je in toon zakken: Niet dat ik die zó vaak hoor. Dan maak je even een bondje met Barbara.” Dan moet er ook nog warmte in doorklinken.

De onderlaag krijgt alle aandacht als De Vroedt een uur alleen met Van den Dop aan een monoloog van de moeder werkt. Als ze Robbie kapittelt omdat die is weggegaan bij de familie, zegt De Vroedt: „Meer minachting. Je hebt het altijd een slappe zak gevonden en na vijftien jaar komt het eruit.” Als ze zegt hoe moe ze was: „Alsof je weer in de week van de scheiding zit, zo moe.” En als ze de nieuwe vriendin noemt: „Toen kwam dat kutwijf!”

Al repeterend is de scène dynamischer en energieker geworden. Iedereen is er blij mee. De Vroedt geeft complimenten. Maar Van den Dop oppert dat ze haar ex ook moet proberen te zoenen aan het eind. Dat wil de regisseur niet. Aan Rietman geeft hij de motieven voor zijn verweer tegen een zoen: „Jij roept: ‘Wat doe je! Mijn broer heeft zelfmoord gepleegd.’ Dat mag je best groot maken.”

VIDEO Eric de Vroedt over wie ‘de lead’ heeft in een scène. Video door Ron Rijghard.

Emotioneel

Zestien dagen voor de première is er nog ruimte om diep op motieven van personages in te gaan. De Vroedt en Vrede praten lang door over wat haar personage doormaakt bij haar vertrek. Met Vrede werkt hij anders dan met Van den Dop. De regisseur begint met het stellen van vragen: waarom deze woorden, waarom nu, waarom niet eerder. Misschien is het strategie van De Vroedt, want de conclusie wordt dat de acteur haar emoties niet van tevoren bedenkt. Precies waar hij tijdens repetities op hamert en wat hij vervolgens nog drie keer expliciet zegt: „Het is niet één riedel. Het is belangrijk dat je het vanuit de situatie benadert. Het ontstaat hier.”

Dan moet er nog gespeeld worden. De Vroedt: „Het moet voelen alsof je klem zit.” Vrede: „Ik zit ermee dat ik niet wil dat het emotioneel wordt, en nu wordt het dat wel. Dat is gênant.” De Vroedt: „Alles is gênant. Dat is juist fijn.”

Monteren

De laatste twee weken wordt er gerepeteerd in de Koninklijke Schouwburg: in het bijna definitieve decor, met huiskamer en keuken, en met grime, kleding, licht, muziek. In de ‘montageweken’ moeten de scènes onderling verbonden worden. Nog elf dagen naar de première op zaterdag 10 november en nog zeven dagen voor de eerste try-out. Een nieuwe uitdaging is een paal van het huis, circa twintig centimeter dik, die linksvoor op de rand van het podium staat. In de mise-en-scène staan de acteurs er soms net achter. Na de eerste keer repeteren zegt De Vroedt: „Die paal moet weg, of dunner.”

Op het podium instrueert De Vroedt vooraf in een monoloog van een kleine tien minuten: „De details zijn belangrijk, juist voor de verhouding tussen zwaarte en lichtheid.” Hij waarschuwt voor „verzanden in een soort naturel”. Zeker in de tafelscène zijn „vormpjes” nodig: „Niet om afbreuk te doen aan jullie spel, maar om dat losser te maken.”

De repetitie begint weer bij deel 1, en de interventies van De Vroedt zijn er niet minder van geworden. Opnieuw is niet altijd blijven hangen wat er eerder was bedacht. Suijker vraagt bijvoorbeeld of hij de ene of de andere houding moet aannemen. De Vroedt: „Doe maar wat je zelf had bedacht.” Suijker: „Maar jij moet zeggen welke.” De Vroedt: „Het was jouw idee.”

Ook het ritme wordt weer bijgeschaafd. De beat, ook een typisch woord voor De Vroedt, wordt vaker van stal gehaald. De Walle: „Dat stiltetje daar is wel goed toch?” De Vroedt: „Ja, één beat. Je lead wordt even afgepakt.”

Het is niet zo dat het stuk geen geheimen meer kent. Van den Dop zegt dat ze zich nu pas realiseert hoe pijnlijk het is dat haar schoonvader op zolder woont. Dat is nieuwe informatie voor haar personage, de ex-vrouw. „Die man is helemaal van slag”, zegt ze. „Dat is veel heftiger dan ik dacht.” De Vroedt lacht en gebruikt het meteen: „Ja precies. Speel die heftigheid maar even uit.”

De spelaanwijzingen die voorbij komen, verschillen maar gradueel van de eerste weken: luisteren, schakelen en elke zin een eigen toon geven. De tekst „ligt te veel klaar” bij de acteurs, er moet geschakeld op de laatste woorden van de ander en er moet worden gewaakt voor de „vertelmodus”, want „dan wordt het informatie”.

Met actrice Tamar van den Dop werkt regisseur Eric de Vroedt langdurig aan haar monologen. Hij wil emoties horen. „Maar jij moet aangeven waar. Dat je mij iets geeft wat me raakt.”

Foto Kurt van der Elst

Geweld

Twee dagen later is de dikke houten paal op het podium vervangen door een dunne metalen. Het is nog geen definitieve oplossing.

Opnieuw wordt het vierde deel gerepeteerd, waarin Jessica, de buurvrouw van Robbie, boven zit met Isaac en Annet. De Vroedt doet weer een inleiding. „Als we beginnen moet er een soort wachtkamersfeer hangen. Dat jullie hier met een groot vraagteken zitten, moet de bodem van de scène zijn.” Rietman doet hij de suggestie om met een kussen te slaan als zijn ex hem probeert te kussen. Dat geweld komt in vele varianten voorbij, tot algemene hilariteit. Rietman doet hier recht aan zijn reputatie van ontvlambaar acteur.

Ook het vocabulaire wordt verder verfijnd. Als Aparicio Torres in een scène tegen haar man ingaat, zegt De Vroedt tegen haar: „De opbouw was goed hoor. Maar je kan net één beat de tijd nemen als hij zegt ‘Tuurlijk niet’. Niet meer dan een mini-beat hoor.” Perfectie tot in de details: het is ook bijna te veel om bij te houden voor zijn acteurs, geeft hij na afloop toe. Maar „op dit niveau” wordt dat wel gevraagd.

Lees ook dit interview met Maria Goos over het schrijven van ‘We zijn hier voor Robbie’

De Vroedt blijft op zoek naar contrast tussen gesproken tekst en bedoeling, tussen wat hij „onderlaag” en „bovenlaag” noemt. Een goed voorbeeld daarvan is te horen als Van den Dop in een monoloog vertelt over het verwerken van haar verdriet na haar scheiding. „Ik ben tien kilo afgevallen.” De Vroedt wil geen tevredenheid of vraag om medelijden horen, maar paniek: „Je voelt je nog dik.” Ze moet haar buik voelen. „Maar ik ben afgevallen”, protesteert Van den Dop.” De Vroedt: „Ja, maar het zit er weer.”

Toch ontstaat er begripsverwarring, voor het eerst waar ik bij ben. Alle weken was De Vroedt onuitputtelijk in het vinden van nieuwe bewoordingen voor zijn aanwijzingen. Hij was ook steeds vrij goed te volgen. Maar nu even niet. Hij blijft hangen in de term „kapstokken” als Van den Dop klaagt dat ze „te tonerig” klinkt, te veel „vormpje”. Ze komen er niet uit.

Pas na een half uur praten is er een soort slotsom. Van den Dop wil niet als „een machine” klinken, De Vroedt wil „een gekozen traject”. Hij doet voor dat hij soms een grom wil horen: „Wrhraahh!” De Vroedt: „Maar jij moet aangeven waar. Dat je mij iets geeft wat me raakt.”

Als ze de monoloog opnieuw doet, vindt De Vroedt het heel goed. De opluchting is zo groot dat hij zowaar naar haar toe loopt en even haar handen pakt. Dat zag ik hem nog niet eerder doen. Waarna, een tikje monomaan, toch weer een aanwijzing volgt. „En ‘Marius!’ kan misschien nog groter.” Van den Dop: „Lelijker? Viezer.” De Vroedt: „Ja, of het een paar keer herhalen.” Dat doet ze. De Vroedt: „Het zou bijna als ‘brand!’ kunnen klinken.” Van den Dop laat de naam klinken alsof ze roept dat er brand is.

Negen dagen voor de première wordt ook deze hobbel genomen. Met wederzijdse complimenten. Van den Dop: „Heel goed, Sherlock.” De Vroedt: „Jij bedacht het zelf.” Bij een presentatie voor Vrienden van het Nationale Theater zei De Vroedt al dat het repetitieproces „slopend” is: „Een kwestie van veel emoties, geploeter, tot gekmakens toe, schelden, en dan toch weer dol zijn op elkaar.”

We zijn hier voor Robbie. Door Het Nationale Theater. Première 10 november, Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Tournee t/m 26 januari 2019. Inl: hnt.nl
    • Ron Rijghard