Peter Gijsbertsen: ‘Dat nette is er nu wel af bij mij’

Interview Donderdag 8 november krijgt tenor Peter Gijsbertsen (35) de Nederlandse Muziekprijs, de hoogste staatsonderscheiding op het gebied van de klassieke muziek.

Tenor Peter Gijsbertsen krijgt de Nederlandse Muziekprijs.

Hij is er maar druk mee, vindt hij zelf. Interviews, foto’s, nog een late-night-radio-optreden. „Als ik straks terug in Brabant ben, bij mijn vrouw en kinderen, laat ik al die aandacht ook weer met enige opluchting achter me”, zegt hij met een lach. „Sowieso werkt een gezin relativerend voor ambitie. Onlangs belde het Bolsjoi Theater in Moskou, of ik kon invallen in Brittens opera Billy Budd. Ik rende opgewonden naar mijn vrouw; raad eens wie er belde!? En zij: „Wat is dat, het Bolsjoi?”

Peter Gijsbertsen (35) is tenor. En, het moet gezegd, in Nederland relatief onbekend – zeker voor een winnaar van de Nederlandse Muziekprijs, de hoogste staatsonderscheiding op het gebied van de klassieke muziek. „Ik zou graag meer naam hebben in Nederland”, beaamt hij. „Hopelijk draagt de prijs daaraan bij. Waarom zou ik niet meer hier kunnen zingen als ik in het buitenland ook word gevraagd?”

Gijsbertsen gold lang als „de mooie liedtenor”. In intiem repertoire klinkt zijn stem karaktervol en subtiel, met – getuige recente cd’s gewijd aan liederen van Schumann, Schubert en Strauss – een verfijnde dictie en een elegant timbre. „En toch baalde ik ergens van die reputatie”, zegt hij. „Want ik wilde en wil ook opera zingen, en daarvoor miste ik blijkbaar iets.”

Ik heb geduld. Hoeveel tenoren vallen niet in de val te vroeg te hoog te willen reiken?

Zangpedagoog Ira Siff, die Gijsbertsen begeleidde in het traject naar het winnen van de Nederlandse Muziekprijs en hem nog steeds lesgeeft, wist raad. Gijsbertsens stem ontbeerde de nodige ping, was zijn diagnose. „Heb je wel eens in een restaurant met Amerikanen gezeten? Amerikanen kun je zes meter verderop nog verstaan, zo penetrant voorin klinkt hun stem. In openbare gelegenheden is dat irritant, maar op het operapodium is het precies wat je nodig hebt om de achterste rijen te bereiken. Uiteindelijk is het een kwestie van proberen, voelen wat goed is en dat dan onthouden. Je fysieke herinnering is de belangrijkste referentie. Dat maakt goed zingen in slechte zalen ook zo lastig: daar moet je helemaal varen op je innerlijke kompas.”

Verbeterpunten

Door het winnen van de Nederlandse Muziekprijs en de lessen die hij in de aanloop daar naartoe volgde, voelt Gijsbertsen zich nu veel zelfverzekerder, zegt hij. „Dankzij Siff is mijn techniek beter geworden, waardoor ik me meer op het acteren en op de muziek zelf kan richten. Dat maakt me als zanger in drie opzichten aantrekkelijker. Natuurlijk blijven er altijd aspecten die beter kunnen – zingen is zo iets veelzijdigs en gecompliceerds, dat hoort erbij. Maar uiteindelijk zijn die verbeterpunten persoonlijke, veelal gedetailleerde dingen waar ik me niet op wil blindstaren. Het gaat om de muziek – díé zo goed mogelijk voor het voetlicht brengen. Roem interesseert me ook niks. Echt niet. Ja, ik wil graag mooie concerten en voorstellingen zingen. Maar ik zing net zo lief een liedavond voor veertig mensen in een zaaltje van niks als een operahoofdrol voor tweeduizend man.”

De Nederlandse Muziekprijs wordt donderdagavond aan Gijsbertsen uitgereikt tijdens een recital dat hij heeft in het kader van het festival November Music in Den Bosch. Hij zingt dan onder meer de wereldpremière van een liedcyclus die hij componist Bart Visman in opdracht gaf: Zeven levensliederen en een aanslag. „Ik koos voor Visman omdat zijn idioom me aanspreekt”, zegt Gijsbertsen. „Voor deze cyclus gebruikte hij teksten van zijn vriend Marc Pantus, zelf ook zanger trouwens, met kleine observaties over curieuze situaties. Eén lied gaat bijvoorbeeld over een buurman die met een broodmes de tuinboom een kopje kleiner maakt. Een ander gaat over het ongemakkelijke gevoel dat je krijgt wanneer je met een groep fietsers in de stad stilstaat voor een stoplicht. Mag je de ander aankijken? Zowel de situaties als de muziek zijn herkenbaar en waarachtig.”

Volgend seizoen zingt Gijsbertsen zijn eerste hoofdrol in Nederland; Tamino in Mozarts Die Zauberflöte bij Opera Zuid. Een prachtkans, vindt hij. „Natuurlijk droom ik ervan ook bij De Nationale Opera te zingen – ik werk graag in Nederland, dus ook daar. Maar die kans hoeft niet vroeg te komen; als je daar eenmaal staat, moet je het ook waarmaken. Hoeveel tenoren vallen niet in de val te vroeg te hoog te willen reiken? Zingen is zwaar: je moet je diepste emoties tonen en topfit zijn. Voeg daar de druk van geld en roem aan toe, en je snapt waarom zo velen zich in een kreuk zingen en het niet bij elkaar houden. Laat mij maar lekker rustig aan doen. Eigenlijk zou je pas met 45, als je vol levenservaring bent, de top moeten bereiken. Charisma en muzikaliteit komen met de jaren.”

Gijsbertsens eigen podium-présence had lange tijd iets enigszins ingehoudens en stijfs. „Maar die keurige man is niet meer”, zegt hij. „Nu mijn stem lekkerder loopt, durf ik als vanzelf meer. Laatst nog, voor de rol van Alfredo in La traviata, moest ik zo ver gaan in het aanboren en spelen van grote emoties dat ik dat nette als vanzelf heb afgeschud. Met die gewonnen vrijheid ben ik dolblij. Emoties voelen, tonen, daarbij zingen en dat in interactie met je tegenspelers – dat is het geweldigste wat er is. Ik hoop dat mensen me nu ook gaan zien als een allrounder.”

Peter Gijsbertsen (tenor), Hans Eijsackers (piano) en Ciconia Consort o.l.v. Dick van Gasteren. Werken van Visman, Moulijn, Duparc, Britten en Tosti, 8/11, Theater aan de Parade Den Bosch. Inl: novembermusic.net
    • Mischa Spel