Opinie

    • Ellen Deckwitz

Verdoving

Vrijdag sleurde mijn zus me mee naar het jaarlijkse bedrijfsfeest van haar psychologenpraktijk. Terwijl ik handjes schudde („niet te hard”, zei er een, „Ik heb de hele dag EMDR-sessies gegeven”) en de vraag ontweek hoe het met me ging (iedere aanwezige had voldoende diploma’s op zak om meteen door te hebben wanneer ik loog) stond mijn zus stil in een hoekje. Ze is al geen feestbeest, maar dankzij een gebroken hart was ze op een zeker moment zo timide dat ik bij de bar om een glas tequila en twee eetlepels vroeg.

„Slik”, zei ik terwijl ik een lepel alcohol voor haar mond hield alsof het een portie hoestdrank betrof. Zelf nam ik ook een shot. Als je, zoals wij, zelden drinkt is zo’n kleine dosis al voldoende om jezelf te vaccineren tegen je humeur. Alleen jammer dat we uit een geslacht van rasdrinkers stammen, een bijbehorende aanleg voor mateloosheid hebben én op een zeker moment de likeurbonbons ontdekten. Mijn zus was uiteindelijk de ster van het feest en kan achteraf niet zeggen waarom.

De volgende dag werd ik wakker op de stretcher in haar logeerkamer. Mijn hoofd bonkte, aanvankelijk dacht ik dat ik verkouden was. Ook mijn zus was een wrak. Haar zoons logeerden godzijdank een weekend bij onze ouders waardoor we ongegeneerd op handen en voeten naar de bank konden kruipen. Na een paar beverige uren ging het iets beter. Mijn zus kreeg het ene na het andere appje van haar collega’s, hoe gezellig ze op het feestje was, hoe leuk die andere, levenslustige (d.w.z. gedrogeerde) kant van haar was.

‘Jeetje”, zei ze terwijl ze nog een paracetamol wegkauwde, „wat ik er niet voor overheb om een beetje leuk mee te doen. Ik zou er een medaille voor moeten krijgen.”

Terwijl de dag vorderde kwam steeds duidelijker naar voren waarom we alcohol normaliter laten staan. Onze zwakke hersenen kunnen dat helemaal niet aan. De chemie is compleet uit balans, grijze gedachten worden zwarter en zwarter, en zo lagen we tegen de avond depri tegen elkaar aan.

„Sodeju”, zei mijn zus, „Ik drink nooit meer.”

„Dat betekent ook”, zei ik na er even over na te hebben gedacht, „dat je anderen nooit zult kunnen vergasten op die spectaculair vrolijke dronk van je.”

„Eigenlijk is het gewoon egoïstisch dat ik de drank laat staan”, zei ze. „Ik ben veel beter te verdragen met een slok op, maar wil niet omgaan met de gevolgen daarvan.”

„Je hebt ook niets voor je medemens over”, zei ik, „en zij maar doordrinken om ook hun middelmatigheid te overstemmen.”

„Ik denk alleen maar aan mezelf”, piepte ze, en of het nou de kater was of niet, het leek heel even ontzettend asociaal dat ze geen alcoholist was.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz