Brieven

Blijf bij misstanden toch vooral de klokken luiden

Als gepensioneerd hoofd van een onderzoeksgroep bij het Sociaal en Cultureel Planbureau heb ik met meer dan normale belangstelling de crisis bij het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie en Veiligheid gevolgd. Afgelopen week was er het merkwaardige rapport van de commissie-Overgaauw en een tenenkrommend interview met de voorzitter in Nieuwsuur. Hij kon niet uitleggen waarom dertien van de zestien ongeoorloofde interventies van Justitiële beleidsambtenaren hadden geleid tot „verbetering” van de rapporten van Marianne van Ooyen. Ik kan me dat nauwelijks voorstellen, gezien haar uitstekende wetenschappelijke reputatie. In een interview met haar in NRC (Ik werd als een verdachte behandeld, 2/11) stelt zij dat ze dit rapport als „een trap na” ervaart.

Ik herken de druk van beleidsambtenaren op conceptteksten, heb begrip voor de frustraties die zij bij het WODC heeft opgedaan en vind het leed dat haar is berokkend schrijnend. Haar advies aan toekomstige klokkenluiders om hun mond te houden, vind ik echter te ver gaan. Dat is een vrijbrief voor organisaties die het met algemeen geldende werkprincipes niet zo nauw nemen. Haar verhaal toont wel dat we veel nauwkeuriger met klokkenluiders moeten omgaan en hen volledig in bescherming moeten nemen tegen hun werkgevers. Daar is een wereld te winnen.

    • Vic Veldheer