Opinie

    • Lars Duursma

Wat Dijkhoff en Asscher wél hadden moeten zeggen tegen Nemr

Kinderpardon De Irakese jongen Nemr (8) bracht voor de camera een reeks politici in het nauw met zijn vragen over het asielbeleid. Hoe kun je zo’n valkuil vermijden, vraagt zich af.
Tim Hofman (rechts), Lodewijk Asscher en Nemr (8) tijdens de opnames voor Hofmans documentaire Terug naar je eige land in de Tweede Kamer Foto BNNVARA

Toen verslaggever Rutger Castricum zich in 2006 voor het eerst meldde op het Binnenhof, reageerde politiek Den Haag geschokt. Veel Kamerleden en bewindslieden wisten zich geen raad met de brutale interviewer die zich niets aantrok van de bestaande mores.

Voor Ella Vogelaar betekende een volslagen mislukt interview het begin van het einde van haar ministerschap. Wie herinnert zich niet de historische beelden waarin de minister minutenlang demonstratief in de camera blijft staren zonder ook maar iets te zeggen? Zelden riep een politiek optreden zo veel ongemak en plaatsvervangende schaamte op.

De meeste politici hadden echter al snel door hoe je deze interviewvorm neutraliseert: nooit weglopen, blijven glimlachen, beetje meebuigen, saaie antwoorden geven, informeel doen en complimentjes geven („Zo zo, je hebt het goed uitgezocht!”).

Afgelopen week verscheen opnieuw een interviewer op het Binnenhof waarmee politici zich geen raad wisten. Deze keer eentje van acht jaar oud.

Voor zijn YouTube-documentaire over het kinderpardon Terug naar je eigen land nam programmamaker Tim Hofman namelijk de uitgeprocedeerde Nemr mee naar de Tweede Kamer: een mediagenieke jongen die in Nederland is geboren maar binnenkort wordt uitgezet naar Irak.

Nu is het niet voor het eerst dat politici worden geconfronteerd met schrijnende gevallen die net buiten het kinderpardon vallen. Ook Howick en Lili haalden veelvuldig de media en dwongen politieke leiders zo tot een reactie. Uiteindelijk kreeg het tweetal zelfs een verblijfsvergunning (of zoals Arjen Lubach het verwoordde: een talkshowpardon).

Lees ook: Kinderpardon; ChristenUnie-leden willen uitzetstop

Maar dit was toch fundamenteel anders. Voor zijn documentaire overviel Tim Hofman politici met draaiende camera, waarbij ze geen idee hadden wie de kleine jongen was die voor hen stond. Voor optimaal effectbejag liet Hofman de jongen beginnen met een algemene vraag over het asielbeleid: „Wat gaat er gebeuren met de vierhonderd andere kinderen?”

Later pas werd meer duidelijk over de achtergrond van de achtjarige. En alsnog ging het mis.

Hofman tegen Nemr: „Wat denk jij dat er gebeurt als je naar Irak gaat?”

Nemr: „Dood.”

VVD-leider Klaas Dijkhoff: „Ja. Ja dus?”

In een filmpje legt Dijkhoff, in het kabinet Rutte II enige tijd staatssecretaris voor asielzaken, een dag later uit dat hij dat „Ja dus” natuurlijk tegen Hofman zei en niet tegen het jongetje. Dat maakt het niet veel beter.

Ongemakkelijke tv

Hoe hadden de politici beter kunnen reageren? Richt je om te beginnen tot het kind. Twee volwassenen die in algemene termen over asielbeleid praten terwijl er een uitgeprocedeerd jongetje naast staat: dat wordt per definitie ongemakkelijke televisie.

Met name PvdA-leider Lodewijk Asscher deed dit onhandig. Aanvankelijk richtte hij zich tot Nemr, om zich daarna fysiek van hem af te wenden en zich uitsluitend tot Hofman te richten. We zien hoe de jongen uitgebreid gaapt terwijl de PvdA-leider het asielstandpunt van zijn partij toelicht. Heel warm en geïnteresseerd komt dat natuurlijk niet over.

Je kunt daarbij ook door de knieën gaan. Tijdens de documentaire valt op hoe Hofman dit vaak doet, terwijl de politici vanuit de hoogte naar beneden blijven kijken.

Lees ook: De harde lijn over Lili en Howick werd pas héél laat vloeibaar

Pak bovendien de regie in het gesprek. Maak contact, nog voordat je vragen beantwoordt: „Hallo, wie ben jij?” Toon interesse en zorg dat jíj degene bent die de vragen stelt. Dat maakt de kans kleiner dat je later in het gesprek ineens verrast wordt. Alexander Pechtold – bij de opname nog in functie als D66-leider – deed dit in de documentaire geroutineerder dan de anderen, al werkten zijn gesloten vragen minder goed. Vraag: „Ben je ooit in Irak geweest?” Antwoord: „Nee.” Pechtold: „Nou, kijk eens aan…”

Houd het gesprek verder kort. Hoe langer je aan het woord bent, hoe groter de kans op ongelukken. Zeker omdat dit een volledig onvoorbereid gesprek is. Verschillende politici gaven later aan dat hun gesprek wel een kwartier had geduurd maar dat slechts enkele zinnen de documentaire hadden gehaald. Tja, zo werkt dat. Hier geldt dezelfde les als met Rutger Castricum: hoe minder materiaal je iemand geeft, hoe minder er geknipt kan worden.

Ferry Mingelen

Je kunt na de korte kennismaking met de jongen prima aangeven dat je hem graag spreekt, maar dat je zijn vragen beter kunt beantwoorden als je eerst wat dingen kunt uitzoeken. Zo heb je ook wat tijd om je mentaal en inhoudelijk op het gesprek voor te bereiden. Want laten we wel zijn: een gesprek met een achtjarige gaat nét wat anders dan een gesprek met Ferry Mingelen.

Dit is niet anders dan Pieter Storms destijds met zijn tv-programma Breekijzer. Items werden pas interessant als iemand zo dom was om z’n hand naar de draaiende camera uit te steken. Stelde een woordvoerder rustig voor alles eerst even uit te zoeken en diezelfde middag een gesprek te voeren, dan leverde dat weinig interessant materiaal op voor de uitzending.

Nieuw zijn die lessen niet. Maar ze halen wel de angel uit zo’n overvalstrategie met jonge en emotioneel kwetsbare kinderen, die alleen maar verder beschadigd zullen raken als verraste en onvoorbereide politici zich verspreken of valse hoop bieden.

Alleen al daarom zou het goed zijn als politici snel een beter antwoord vinden.

    • Lars Duursma