Recensie

Idles blaft en lalt getuigenissen van de gewone man

Rock Joe Talbot, de zelfbenoemde ‘uitschot’-zanger van de Britse post-punkband Idles, bracht zondagavond in de Melkweg een prachtige ode aan migranten. „Zij veranderen ons shithole-landje in een betere plek.”

Idles tijdens een optreden op Eurockeenness in Frankrijk in 2017. Foto Hugo Marie / EPA

Daar staat hij dan, balancerend op het randje van het podium. Al een uur lang heeft zanger, oproerkraaier en beroepsrochelaar Joe Talbot de uitverkochte Melkweg laten springen en rondtollen in een kolkende moshpit. Maar nu kijkt hij toch even op zijn neus.

Niet omdat de gitaristen Mark Bowen en Lee Kiernan zojuist de zaal zijn ingedoken en daar gewoon doorspelen – dat is namelijk normaal. Maar wel omdat de halve zaal denkt: als zij onze plek innemen, dan wij die van hen. Binnen de kortste keren is het podium bestormd door hossende fans. Talbot moet zich aan hen vastklampen om niet voorover in de pit te storten.

Zo gaan die dingen bij Idles. Het vijftal uit Bristol maakte de afgelopen twee jaar indruk met twee explosieve albums (Brutalism en Joy as an Act of Resistance) waarvan de beukende hymnes live nog overtuigender klinken.

De fundering van de ophitsende post-punk zijn de ongenadige mokerslagen van Jon Beavis en het betonnen basgeluid van de kale, bebaarde hooligan Adam Devonshire. Bowen en Kiernan laten hun gitaren – die net onder hun kin hangen – meestal alleen plagerig jengelen als snerpende sirenes. Tussendoor zwalken ze over het podium (soms als ambtenaren van Monty Pythons Ministry of Silly Walks, dan weer als balletdansers uit Het Zwanenmeer), lopen ze over het publiek of springen ze touwtje met hun gitaarsnoer.

Ondertussen blaft en lalt Talbot getuigenissen van de gewone man, of zoals hij zichzelf liever typeert: uitschot. In ‘Well Done’ citeert hij de vreselijke vragen die de buitenwacht al jaren stelt: waarom heeft hij eigenlijk geen diploma? En waarom werkt hij niet? Zijn antwoord: „Ik bijt nog liever de neus van mijn gezicht.”

Punk mag je het van hem niet noemen, maar toch spuugt hij zijn furieuze lettergrepen uit alsof het fluimen zijn die recht in het gezicht van Margaret Thatcher uiteen moeten spatten. Als hij even geen tekst heeft, bijt hij op zijn tanden, beukt met een vuist op zijn borstkas of slaat zichzelf in het gezicht. Scherp blijven!

En toch is het geen verkeerde jongen, hoor. „I put homophobes in coffins” bekent hij in ‘Colossus’, en de onweerstaanbare inhaker ‘Danny Nedelko’ is een ode aan alle migranten „die ons shithole-landje veranderen in a better place”. Maar goedbedoelde boodschappen of niet, benadrukt Talbot tot slot: begin alsjeblieft niet over het P-woord. „One more time: we’re not a fucking punk band! Thank you!

    • Frank Provoost