Geld koopt armoede voor aan de muur

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: verweerde koppen met en zonder vergulde omlijsting.
Illustratie Eliane Gerrits

Zondagochtend, de Upper East Side van Manhattan. De chique dame loopt de stand van een galerie op de kunstbeurs binnen. In haar kielzog een jongeman met een oortje. Ze wordt begroet door de galeriehouder alsof zij zijn lievelingstante is, net terug van een wereldreis. Hij leidt haar naar zijn bureau. Daar legt hij zonder omhaal een massieve art-decobroche voor haar neer. Hij glimlacht als hij haar blik ziet. Dit was ’t waard om speciaal voor in te vliegen, nietwaar? Even later handelen de twee mannen de koop af, terwijl zij nipt van haar champagne achter een schaal oesters.

De Tefaf in New York is een snoepwinkel voor wie geld heeft en van kunst houdt. Voor wie géén geld heeft en toch van kunst houdt, is het op z’n minst een kijkje in de etalage. Stukken die in het Rijksmuseum niet zouden misstaan, hangen hier boven een prijskaartje. Ik sta lang stil bij enkele Hollandse meesters en kijk naar de verweerde, levensechte koppen. Gezichten uit lang vervlogen tijden, nu keurig gevernist en ingelijst.

Buiten loop ik langs de rijen geparkeerde limousines met wachtende chauffeurs en snuif de zondagse sfeer op van rijk New York. Kuierende gezinnen, gesticht na hun kerkbezoek, de kinderen voorbeeldig gekleed. Een jonge man in trainingspak leidt vier hazewindhonden naar Central Park. Een metrorit brengt me naar een schaduwwereld. Ik heb met een vriendin afgesproken in de Lower East Side, aan de andere kant van de stad. Hier op de Bowery is alles omgekeerd: een chaotisch straatbeeld, tegen een achtergrond van goeddeels vervallen gebouwen. Een vrouw, even verweerd als de oud-Hollandse koppen, haalt vuilniszakken open op zoek naar plastic flesjes. Een aantal jaren geleden was dit een gribuswijk, waar je ieder moment overhoop kon worden gestoken. Zo erg is het niet meer, maar rauw is het nog steeds. Ik passeer een sjofel gekleed gezin met drie kinderen dat aandachtig kijkt naar een hoge berg schoenen in een etalage. De hele voorkant van de winkel is beklad met ‘FINAL SALE’.

De Tibor de Nagy-galerie ligt aan een smal steegje. Hier hangt een tiental foto’s van Louis Stettner (1922–2016), uit de laatste jaren van zijn lange kunstenaarsleven. Hij wandelde elke dag door de stad, met name door oude, vervallen wijken waar de oorspronkelijke bewoners nog niet door onbetaalbaar geworden huurprijzen zijn verdreven. Manhattan Pastoral heet de tentoonstelling.

Stettner fotografeerde mensen in hun alledaagse leven. Iemand die tussen de bedrijven door zijn lunch wegwerkt, diep in gedachten. In ‘Between Yellow Cabs’ zien we een jonge vrouw verrast omkijken. Schrikt ze ergens van? Een hand houdt ze tegen haar mond, haar elleboog drukt ze krampachtig tegen haar zij. Vanzelf schilder je het beeld door, zodat het lijkt of ze helemaal alleen met haar paniek in een zee van gele taxi’s staat.

Louis Stettler weet mensen midden in het leven te vangen. Zoals de Hollandse meesters in de zeventiende eeuw dat konden. Op Tefaf hangen die nu in een vergulde lijst op weg naar een duur appartement. Op deze foto’s krijg je ze zonder vernis opgedist. Alsof ze zo naar buiten kunnen lopen.

Reacties naar pdejong@ias.edu
    • Pia de Jong