Optimisme is een uitzondering op Crossing Border

Festival Op Crossing Border voerde fatalisme de boventoon. De optimistische Poëzieboys vormden een uitzondering.

Schrijver Paolo Giordano wordt op Crossing Border geïnterviewd door Theo Hakkert Foto Bram Petraeus

„Ja! Tegen het oppervlak. Ja! Tegen de onbegane paden. Ja! Tegen de val in het onbekende”, roepen de Poëzieboys in het Spui Theater. Een half uur lang vertellen ze tijdens het jaarlijkse Crossing Borderfestival in Den Haag over Simon Vinkenoog en stralen ze geheel in Vinkenoogs geest positivisme en liefde uit. „Steek je hand op als je een knuffel wil”, klinkt het. De hupsende Poëzieboys, Jos Nargy en Joep Hendrikx, brengen Vinkenoogs positivisme met vuur en bezieling over, zoveel dat je er ongemakkelijk van wordt; hun optreden is even goed als ergerlijk.

Hun optimisme bleek uitzondering tijdens deze 26e editie van het literatuur- en muziekprogramma. Internationale auteurs en artiesten traden op, soms samen met Nederlandse collega’s. Optimisme was er weliswaar ook bij Paolo Giordano, de Italiaanse bestsellerauteur, zij het met een kanttekening: „Het is frustrerend schrijver te zijn in een omgeving waar iedereen zegt dat het boek stervende is, als het al niet dood is. Ze hebben vast gelijk, maar in mijn romans wil ik tonen hoe mensen door boeken meer diepgang krijgen.” Hier was een auteur aan het woord die het gemaakt heeft, en daardoor zeer op zijn gemak was met zijn rol.

Dat gold ook wel voor de Duitse Daniel Kehlmann. Opgewekt, maar niet optimistisch over de rol van de lezer, merkte hij op dat de weerzin tegen verzonnen verhalen steeds groter wordt: „Je bent beter af wanneer je historische romans schrijft, dan hoef je de verzinsels tenminste niet te verantwoorden.” Collega Marente de Moor vertelde dat lezers soms zelfs agressief worden wanneer je te veel open laat aan het slot van je roman, terwijl juist ondubbelzinnige meningen „een doodlopende weg” zijn. Het was alsof wat er 150 jaar aan literaire conventies was opgebouwd zo’n beetje ongedaan werd gemaakt, constateerden ze samen.

Misschien is dat omdat het tijd wordt voor een andere literatuur, die meer oog krijgt voor milieuproblemen. Dat was wat de Amerikaan Richard Powers betoogde, die met zijn twaalfde roman Tot in de hemel, eindelijk lijkt door te dringen tot een breder publiek. „Hoe ik de wereld zie? Bedenk zoveel mogelijk synoniemen voor ‘niet goed’”, liet hij de toehoorders weten. Ondertussen vertelde hij over de schoonheid van communicatie tussen bomen en hoe de regering Trump in twee jaar tijd alles wat er de laatste vijftig jaar aan milieu-afspraken is gemaakt, ongedaan heeft gemaakt. „De situatie in de VS is inmiddels zo dat we zijn beland in een Koude Burgeroorlog”, antwoordde hij een vrouw die vroeg of hij activistisch was geworden.

„Ja, ik ben een fatalist”, beaamde ook Theo Loevendie in een andere zaal. De 88-jarige componist vertelde in Memoires van een componist hoe hij opgroeide zonder culturele vorming. Vijf weken had hij gedaan over het schrijven van dit boek. „Dat schijnt dus erg kort te zijn, vertelde mijn uitgever me.” Toen er fragmenten uit zijn composities werden gespeeld, veranderde de spot op zijn gezicht in een ernstige blik, waarbij de handen devoot gevouwen werden voor de mond – een van de mooiste beelden tijdens het festival.

Een paar uur na het positivisme van de Poëzieboys kwam het antwoord van Kees ’t Hart die zijn gedicht ‘Nee’ opdroeg aan Vinkenoog. „Nee tegen de eerlijke vinder. Nee tegen de consumptiebon. Nee tegen salade niçoise,” performde hij met net zoveel overtuiging als de Vinkenoog-fans eerder. ’t Hart bewees vooral: Ja! tegen ironisch fatalisme.

    • Toef Jaeger