Recensie

Bitterzoet waas over ode aan grootmeester Marius Petipa

Dans Emio Greco en Pieter C. Scholten maakten hun laatste choreografie voor het Ballet National de Marseille. Dat werd een eerbetoon aan de bedenker van klassiek danswerk als Het Zwanenmeer en Doornroosje.

De Zwanen en de Anderen, een ballet van Emio Greco en Pieter C. Scholten bij het Ballet National de Marseille. Didier PHILISPART

Heden en verleden lopen door elkaar in De Zwanen en de Anderen. Het is de jongste én laatste grote voorstelling die Emio Greco en Pieter C. Scholten maakten voor het Ballet National de Marseille (BNM). Aan het einde van dit seizoen moeten ze, gedwongen, afscheid nemen van dit tweede gezelschap van Frankrijk, waar zij vier jaar geleden vol ambitie de artistieke leiding overnamen.

Er hangt dan ook een bitterzoet waas over deze ode aan Marius Petipa, de tweehonderd jaar geleden in Marseille geboren grootmeester van de klassieke dans, schepper van iconische balletten als Het Zwanenmeer en Doornroosje.

Greco en Scholten ‘treden in dialoog’ met de danstaal van Petipa en diens representatie van het lichaam. Het Italiaanse partizanenlied Bella Ciao dat bij aanvang klinkt, suggereert een dialoog vol verzet. Tegen het harnas van techniek, het identiteitsloze corps de ballet (letterlijk vertaald: het lichaam van het ballet).

Wat volgt is een serie al dan niet bewerkte danscitaten uit Petipa’s oeuvre, doorsneden met de taal die Greco en Scholten ontwikkelden. Ook de negentiende-eeuwse orkestmuziek wordt afgewisseld met toepasselijke popsongs in a capella uitvoering. Soms wekken die liedjes (zoals Back to Black) onwillekeurig associaties met het eind van de relatie van het duo met het BNM.

Een schurende confrontatie is het niet, een balletfeestje evenmin – daarvoor is het technisch niveau vaak te zwak. Wat opvalt is de schatplichtigheid van het duo: de extreme klassieke posities en het hysterische armzwaaien en trippelen uit het Greco-vocabulaire tonen hun verwantschap met de bewegingen in Petipa’s balletten.

Slechts sporadisch valt een glimp van het thema ‘het lichaam in opstand’ waar te nemen. Dan neemt een dierlijke bewegingsdrift, totaal tegengesteld aan de cerebrale klassieke beheersing, de lichamen van de zestien dansers over.

Toepasselijk eindigt het stuk met de slotklanken van Het Zwanenmeer. In Petipa’s choreografie hebben de tragische held en heldin dan het onderspit gedolven – een ironische knipoog?

Ook bij Emanuel Gat lijkt de geschiedenis een inspiratiebron, al is het de vraag of hij zich daar dit keer zelf wel van bewust is. Gat brak ooit internationaal door met een historische ‘coverversie’ in salsastijl van het revolutionaire Le Sacre du Printemps. Dat werk dacht Gat nog tot in detail zelf uit. Voor NEXT bedachten de zeven dansers van ICKAmsterdam alle beweging, zelfstandig in de studio werkend aan de hand van wat instructies. Gat creëerde met dat materiaal zijn choreografische structuren.

NEXT thematiseert dit choreografische proces van keuzes over timing en tempo, ruimte, richting en ritme, houding en verhouding. Die volkomen abstracte benadering van dans lijkt regelrecht overgenomen van Amerikaanse danspioniers als Merce Cunningham, Trisha Brown, Steve Paxton en anderen, die er in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw een vernieuwingsgolf mee veroorzaakten.

Gat voegt daar niets belangwekkends aan toe. We zien dansers individuele bewegingsfrasen introduceren – de een scherp en afgemeten, de ander soepel en sensueel – die worden doorgegeven, overgenomen en vermenigvuldigd. Soms ontstaat een mooi, geconcentreerd spel van actie en reactie. Maar het hele artistieke procédé is de jaren zestig op slaapverwekkende herhaling. Waarbij overigens de kostumering lonkt naar het lubberende ondergoed uit de jaren tachtig en negentig.

    • Francine van der Wiel