Brabantse bruinen

Niet elk werk kan op een pronkplek in het museum hangen. Wim Pijbes kiest elke maand een stille schat, en volgt daarbij de seizoenen.

Vandaag:

losse kleurtoetsjes op de opengeslagen pagina’s

Fotografie Merlijn Doomernik

Tussen een overdadige hoeveelheid schilderijen, waarvan mij de meeste als oude bekenden vertrouwd zijn, hangt in het grootste eenmans-museum ter wereld dit stemmige stilleven. Ik zie twee boeken, de een groot, de ander klein. Het grote is een statige Bijbel. Op de gehavende kaft van het kleinere exemplaar ontwaar ik de titel: Emile Zola La joie de vivre. Ik sta in het Van Gogh Museum. Het is er druk, maar ik sta even alleen, oog in oog met Vincent.

In oktober 1885 schilderde Vincent van Gogh in Nuenen dit forse stilleven in een gedempt palet van Brabantse bruinen, ‘de kleur van een goed stoffige aardappel, ongeschild natuurlijk’ zoals hij zelf in een van zijn brieven opmerkt. Mijn blik wordt getroffen door de losse kleurtoetsjes op de opengeslagen pagina’s in de Bijbel van zijn dat voorjaar overleden vader. De relatie tussen vader en zoon kon niet beter getypeerd. We weten dat Vincents levenshouding haaks stond op die van zijn vader, die dominee was. Diens kaars is uit. Maar het leven van onze jonge Vincent zou vanaf nu een hoge vlucht nemen.

Van Gogh wil weg uit Nuenen, hoe eerder hoe liever. Hij zit vast, lezen we in zijn brieven. En hij klaagt dat het zo stevig vriest dat buiten werken niet gaat. In die omstandigheden ontstaat dit schilderij als een van zijn allerlaatste doeken, vlak voordat hij via een kortstondig verblijf in Antwerpen naar Parijs vertrekt. Nederland zou hij nooit meer zien. Ik vind het een aantrekkelijke gedachte om dit stilleven als zijn afscheid aan Nederland te zien. Nog één keer gaat hij de dialoog aan met zijn overleden vader, maar zijn gedachten zijn al elders. In de vele brieven aan zijn broer Theo, die in Parijs woont, schrijft Vincent in de herfstmaanden van 1885 in Nuenen veel over kleur en over de oude meesters die hij in het datzelfde jaar geopende Rijksmuseum zag. Alsof hij voor zijn vertrek nog eenmaal het werk van zijn beroemde voorgangers wilde aanschouwen. Hij is er lyrisch over: ‘Theo wat is het noodig om in dezen tijd eens naar oude Hollandsche schilderijen te zien!’ En in een andere brief: ‘Wat mij bijzonder heeft getroffen (…) is dat zij meestal snel zijn geschilderd’. Het lijkt of Van Gogh zich met dit boekenstilleven de trefzekerheid en snelheid van de late Rembrandt of Frans Hals meester wil maken. Zoals zij met een enkele verfstreek een object konden neerzetten, zo zoekt ook Van Gogh het geheim om puur met verf vormen te modelleren. De behoedzaam aangebrachte kleuraccenten die we hier ontwaren zouden binnen een jaar tot volle uitbarsting komen. In Parijs vond Vincent zijn eigen joie de vivre wat uitmondde in een kleurenpracht, die in niets meer herinnert aan het herfstige Holland.

    • Wim Pijbes