Opinie

    • Tom-Jan Meeus

Als Den Haag terugverlangt naar zijn vergeten helden: bescheiden politici

Deze week: een superieure grap van Kuzu, klachten over Wopke Hoekstra, zorgen binnen de Raad van State.

Ofwel: wat er gebeurt als bijna alle bescheidenheid uit de politiek verdwijnt.

Het moment van de week kwam natuurlijk van Tunahan Kuzu. Het was woensdag, kort nadat de Tweede Kamer Thierry Baudet iets te gretig op zijn nummer had gezet.

Baudet was uit een commissievergadering komen rennen voor een bijdrage aan het plenaire debat over de failliete ziekenhuizen in Amsterdam en Lelystad.

Door het onvaste optreden van minister Bruins (Medische Zorg, VVD) was toen al duidelijk: dit wordt een groot Haags verhaal.

Maar Baudet had zich niet ingeschreven als woordvoerder, en de routiniers wisten: artikel 55 van het reglement van orde ontzegt hem het recht op interruptie.

Hier wenste de Forum-leider geen genoegen mee te nemen, en de rest van de Kamer, al uren in debat, zei daarop bijna unaniem: zo zijn we niet getrouwd, makker.

Eén parlementariër nam het voor Baudet op, Denk-leider Kuzu, die met een superieure grap de werkelijkheid benoemde: „Ik gun de heer Baudet zijn filmpje.”

Zo is politiek aan het worden. Traditionele politici die alle stukken lezen en urenlang inhoudelijk debatteren, moeten concurreren met nieuwkomers die zich beperken tot een spreektekstje en wat gevatte interrupties – en daarna gevlogen zijn.

Die tekstjes gooien ze gauw in een filmpje op sociale media – zodat het lijkt dat ze volwaardig debatdeelnemer waren. Denk en Forum lopen ermee voorop, maar ook andere partijen hebben de smaak te pakken.

Bedien vooral de eigen doelgroep, dan is het al goed.

Je kunt zeggen: dit raakt de fabriek van de politiek op een zwakke plek. Te veel detailzucht en ambtenarij. Evengoed is de valse pretentie van een serieuze debatbijdrage ook nogal brutaal.

Het illustreert, vermoed ik, een groter probleem: in bijna alle opzichten dwingen de politieke omgangsvormen nu tot schaamteloze onbescheidenheid. Het staat bijna iedereen tegen – maar niemand weet wat je ertegen kunt doen.

Kort voor het debat over de ziekenhuizen kreeg ik mail van Hans Simons. Voor wie dit niet paraat heeft: Hans Simons (PvdA) was staatssecretaris van Volksgezondheid in Lubbers III (1989-1994). Ook was hij Rotterdams wethouder en jarenlang bestuurder in de zorg.

Simons schreef dat hij in 2001, ruim vóór de introductie van de marktwerking in de zorg vanaf 2006, op verzoek van alle betrokkenen een studie deed naar het Slotervaart-ziekenhuis.

Hij concludeerde dat continuering van de ziekenhuiszorg bedrijfseconomisch onverstandig was, en bedacht – toen al – een plan om de gevolgen van sluiting op te vangen.

Maar betrokkenen, vooral de gemeente Amsterdam, wilden er niet aan. „Ik zei tegen de wethouder: dan accepteer je dat we maandelijks miljoenen in een zwart gat gooien.” Het maakte geen indruk.

Ergo: de suggestie van sommige politici dat we geen ziekenhuizen met tekorten hadden voordat zorgverzekeraars in 2006 de regie kregen, is op niets gebaseerd. De overheid paste gewoon bij.

Het probleem is groter. Zorgverzekeraars bepalen vanaf 2006 het lot van ziekenhuizen omdat de politiek via een stelselwijziging de markt aanwees als beste mechanisme om kosten te beheersen.

Maar zie: toen dit leidde tot faillissementen was er deze week bij allerlei fracties ineens behoefte de politiek op de faillissementen aan te spreken.

Je geeft een probleem als politiek uit handen, en nadat je het uit handen hebt gegeven, mag jij, als politiek, klagen dat het probleem niet volgens jouw voorkeur is opgelost.

En je kunt dit gebrek aan bescheidenheid noemen, maar het is erger: het is eigenlijk egomanie. Je laat anderen problemen oplossen die je zelf hebt veroorzaakt, in een stelsel dat je zelf hebt gemaakt, en zegt daarna: schandelijk dat jullie dit hebben opgelost.

Ik begrijp overigens de politici die zeggen: wij willen de eindverantwoordelijkheid terug. Zij hebben een legitiem punt – maar dan moeten zij een meerderheid voor een veranderd stelsel afdwingen.

Een ander aspect van alle Haagse onbescheidenheid is de „harde toon” in de Kamer over „vermeende misstanden”. Het werd dinsdag benoemd toen er, een dag voor zijn officiële afscheid, binnenskamers een afscheidssymposium was voor Piet Hein Donner bij de Raad van State.

Staatsraad Luc Verhey signaleerde, in lijn met het zorgdebat, dat politici graag daders aanwijzen „die zich moeilijk kunnen verweren”, bijvoorbeeld „ambtelijk zwoegers” die niet gewend zijn aan publiciteit.

En hij wees op de onderschatte waarde van bestuurlijke terughoudendheid: zo doorstond het land de omwenteling in de jaren zestig dankzij „gematigde” leiders die zich „aanpassingsgezind” en, inderdaad, „bescheiden” opstelden, zei Verhey.

Maar de vraag is of die tijd nog terugkomt. Zo gaat een van de fascinerendste verhaallijnen die je nu in de coalitiepartijen opvangt over minister Wopke Hoekstra (Financiën, CDA).

Met de premier had hij na de schrapping van de dividendmaatregel al een kortlopende maar stevige aanvaring omdat hij een andere tegenvaller wilde betalen uit het geld dat vrijkwam.

Op andere dossiers, met andere bewindslieden, heet het dat Hoekstra zich „stroef” opstelt. In zijn partij zeggen ze: het is zijn rol, hij kan niet anders.

Maar rond bewindslieden hoor je: hij gaat er, als een McKinsey-adviseur, te veel van uit dat hij altijd het laatste woord heeft.

Nu is dit soort kritiek zelden belangeloos, dus objectief zou ik haar niet noemen, maar kenmerkend wel: juist doordat er zoveel onbescheidenheid in de politiek is, groeit ook de ergernis over andermans onbescheidenheid.

Bij beleid zie je nog een ander dilemma. Zo bestaat bij sommige bewindslieden en fracties behoefte nepnieuws te bestrijden met publiekscampagnes.

Maar onderzoek leert dat de ontvankelijkheid voor nepnieuws hier relatief klein is, vertelde Madeleine de Cock Buning me, voorzitter van het Commissariaat voor de Media.

Ook hier zou bescheidenheid goed zijn. Want hameren op de gevaren van nepnieuws, zei ze, heeft vooral nadelen: je attendeert mensen op een probleem dat ze niet ervaren, en verzwakt juist dan het vertrouwen in media.

Intussen is het informatief om te zien hoe Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) blijft proberen tot een pensioenakkoord te komen.

Het heeft iets van water uit de rotsen slaan. Bij betrokkenen bestaat de overtuiging dat de bonden niet willen (of durven). Inhoudelijk is er amper nog beletsel, maar het optische risico van zakendoen met een D66-minister lijkt ze te groot.

Het herinnert aan de formatie, toen Carola Schouten (ChristenUnie) belangstelling had voor Koolmees’ ministerie. Een akkoord met haar zou voor de bonden optisch veel minder riskant zijn, dus vermoedelijk was het achteraf verstandiger geweest als D66 destijds de bescheidenheid had opgebracht Schouten de baan te gunnen.

De uitvergroting van het politieke ego komt niet uit de lucht vallen. Ik probeerde het deze week bij een paar politici uit, en ze beaamden het allemaal meteen: het zou goed zijn als Den Haag het belang van geduld, geleidelijkheid en bescheidenheid zou terugvinden.

Maar zoals het met die filmpjes op sociale media gaat, zo gaat het steeds: de mediawerkelijkheid dwingt ze in een rol die ze ook zelf liever zouden vermijden.

Den Haag in 2018: de bescheiden politicus wordt er enorm gemist – zelfs door degenen die zich dag na dag opblazen, uit angst anders vergeten te worden.

    • Tom-Jan Meeus