Recensie

Vaarmeijer beent zijn uitbundige tempo van verzinnen niet bij (●●)

Marcel Vaarmeijer Eden wint alles, van missverkiezing tot militaire medailles. Haar fictieve heldenleven, verweven met echte geschiedenis, beschrijft Vaarmeijer, die met zijn vorige roman de Libris-longlist haalde, in een knotsgekke schelmenroman.

Eden B. Foster, hoofdpersoon van Wolkenjager van Marcel Vaarmeijer, wordt geboren op een ranch in Texas in 1969. Ze is voorbestemd om een held te zijn, en in de roman blijkt haar dat ook in allerlei opzichten voorbeeldig te lukken. Eden is Forrest Gump zonder achterlijkheid, een cartoonfiguur dat alles wint, van missverkiezing tot eremedailles van de krijgsmacht. Mooi, sterk, onversaagd, slim: Eden is het allemaal.

Blijft dit boeien? Aanvankelijk wel, want Vaarmeijer (1963) heeft een uitbundige fantasie en er gebeurt voortdurend van alles wat je niet aan ziet komen. Edens geschiedenis raakt verweven met de echte geschiedenis, en dat is hier en daar verrassend vermakelijk. Om maar wat te noemen: president Obama blijkt snibbig, sterker nog: hij is met stip de onaardigste van alle presidenten die Eden ontmoet. Bush is juist hartelijk, Trump lijkt een goedmoedige poetsenbakker. Osama Bin Laden is niet dood als de wereld denkt van wel. En de aanslagen op van 11 september zijn bedacht en uitgevoerd door een groep hooggeplaatste Amerikanen.

Wolkenjager is het veertiende boek van Vaarmeijer, zijn vorige roman Heelmeester stond op de longlist van de Libris Literatuurprijs. Dit is een schelmenroman, een jongensboek dat af en toe – op de beste momenten – doet denken aan The World According to Garp van John Irving. Het is een zeldzaam genre in Nederland.

Helaas is dat niet genoeg. Ondanks alle knotsgekke actie, alle doldwaze avonturen van de hoofdpersoon, wordt Wolkenjager toch echt saai. Alles kan alle kanten uit en eindigt uiteindelijk goed, wat zozeer vaststaat dat de spanning wegvloeit en de lezer zich begint te vervelen. Je gaat er steeds minder van geloven, je wilt er steeds minder in mee.

Geloofwaardigheid lijkt geen prioriteit voor de auteur. Wat hij schrijft komt gehaast over, alsof hij zijn eigen tempo van verzinnen nauwelijks bijbeent. Ook de dialogen zijn houterig: ‘Doe je dit allemaal voor mij?’ [...] ‘Voor ons. [...] Ik doe dit omdat ik van je hou en bij je wil zijn.’ ‘Ik ben nu bij jou en daar wil ik van genieten.’

Dat houterige duikt ook op in constateringen middenin het verhaal, zoals: ‘Alle feiten kwamen aan bod en vormden samen een ijzingwekkende puzzel die door niemand kon worden opgelost.’ Het verhaal blijft hierdoor op afstand, terwijl op andere momenten, als het idee lijkt te zijn dat de lezer innig meeleeft, juist kitsch ontstaat: ‘Een paar minuten leefden we in een glazen stolp en voelden we alle pijn en duisternis uit ons verdwijnen. Wat we ervoor terugkregen, wisten we nog niet, maar het voelde goed en het zou ons nooit meer verlaten.’

    • Judith Eiselin