Natuurlijk hebben mbo’ers recht op titels, net zoals vroeger in de gilden

GroenLinks wil titels voor mbo’ers. Maar de ‘master’ behoort vakmensen eigenlijk al toe, reageert ROC-bestuurder Paul van Maanen, wijzend op de meesterproef in de oude gilden. Hij gaat per e-mail in gesprek met docent/oud-politicus Joram van Klaveren, onder leiding van redacteur Steven de Jong.

Studeer je aan een hogeschool of universiteit, dan ben je een student en krijg je bij het tonen van je collegekaart korting in vele winkels en sportscholen. Maar wat als je een mbo-opleiding volgt aan een ROC? Dan word je nogal eens als scholier behandeld. Bij een studentenstad denkt menigeen ook niet meteen aan de duizenden mbo’ers. Sommige uitgaansgelegenheden, speciaal gericht op studenten, weigeren je zelfs als je een mbo-kaart toont, bewees de NOS onlangs. Dat is geen studentenkaart, menen zij. Deze clubs vinden vooralsnog de wet aan hun kant: daarin heten mbo’ers geen studenten, maar ‘deelnemers’. Vanaf 2020, zo kondigde minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, D66) eerder dit jaar aan, worden mbo’ers alsnog bij wet aangesproken als student.

Dat gaat Zihni Özdil, Tweede Kamerlid voor GroenLinks, niet ver genoeg. Hij wil dat mbo’ers, net als hoger geschoolden, ook een titel mogen voeren als ze hun diploma krijgen. Hij stelt voor de mbo-diplomaniveaus 2, 3 en 4 te vervangen door ‘Skilled’ (Sk.) voor niveau 2, ‘Craftsman’ (Crf.) voor niveau 3 en ‘Expert’ (Exp.) voor niveau 4. „Waardering begint bij erkenning”, verklaart de politicus op de partijsite. „Een beveiliger ‘niveau 2’ zegt veel minder dan een ‘skilled’ beveiliger, zoals dat ook geldt voor de mediavormgever die kan aantonen dat hij een ‘craftsman’ (ambachtsman) is, of de laboratoriumanalist die zich officieel ‘expert’ kan noemen. Het biedt ook herkenning voor werkgevers.” De minister vindt dat een „sympathiek idee”, maar meldde donderdag in het Kamerdebat over de onderwijsbegroting dat ze er geen serieus gevolg aan zal geven.

Joram van Klaveren, docent op een middelbare school en Tweede Kamerlid van 2010 tot 2017 (hij splitste zich af van de PVV), toonde zich op radio 1 allerminst gecharmeerd van titulatuur in het middelbaar beroepsonderwijs. Hij gaat over de vermeende miskenning van mbo’ers in debat met Paul van Maanen, de voorzitter van ROC Midden Nederland die in NRC eens een lans brak voor een systeem waarin mbo’ers even lang recht hebben op (na)scholing als leeftijdsgenoten die eerst zes jaar vwo doen en daarna vijf jaar TU Delft (vergelijk dat met een kapper: vier jaar vmbo, twee jaar mbo).

Joram van Klaveren is JK. Paul van Maanen is PM

JK: „Het plan om mbo’ers een titel te geven is onnodig en overbodig. Allereerst zitten zij zelf helemaal niet te wachten op een titel. De Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs is daarin duidelijk: ‘Wij bouwen auto’s, wij bakken brood. Dát (en geen papieren titel) onderscheidt ons van het hbo en het wetenschappelijk onderwijs’.”

PM: „De mbo’ers die brood bakken en auto’s bouwen hebben helemaal gelijk. Het zijn de doeners, de makers. Dat onderscheidt ze van het hbo en het wetenschappelijk onderwijs, de denkers. Alleen zo jammer dat ze er nauwelijks maatschappelijke erkenning voor krijgen. Als je na het basisonderwijs een vmbo-advies krijgt (het voorportaal van het mbo), dan word je meewarig aangekeken. Ouders zetten leerkrachten onder druk om havo-adviezen te krijgen.”

Leerklimaat op het mbo verbeteren is belangrijker dan titels bedenken voor vakmensen die daar niet op zitten te wachten

JK: „Ik denk dat die erkenning voor de vakman er wel is. De ‘angst’ van ouders voor het vmbo zit hem in de slechte reputatie: vermeende gebrekkige kwaliteit en ervaren onveiligheid. Dát probleem oplossen is belangrijker dan het bedenken van titels voor vakmensen die daar niet op zitten te wachten.”

PM: „Aan het begin van deze eeuw werden in Europa de Lissabon-doelstellingen, 50 procent hoger opgeleid, vastgesteld. De beleidsmakers namen afscheid van de doeners en hesen de denkers op de sokkel. De kenniseconomie werd de heilige graal, met verheerlijking van het hbo tot gevolg. Leerkrachten in het basisonderwijs kwamen onder enorme druk om havo-adviezen af te geven. Een vmbo-advies gold voor veel jongeren en ouders als een mislukking en afwijzing, daartoe mede aangezet door hardnekkige misvattingen over zaken die misgaan in het (v)mbo in tal van media. Onze babbelmaatschappij tiert er welig bij (slechte kwaliteit en onveiligheid) en de kabinetten Rutte II en III hebben dit effect nog eens versterkt. De sluizen van vmbo-tl/mavo naar de havo zijn opengezet met de impliciete boodschap: ga vooral niet naar het mbo.”

JK: „Over de ‘zegeningen’ van de EU, ook qua onderwijs, valt inderdaad nog het één en ander te zeggen. De ‘papieren upgrading’ is zeker een onzalige ontwikkeling (geweest). Niet de kwaliteit van vakonderwijs is omhoog gegaan maar het niveau op de havo omlaag. Zie de ‘instaptoetsen’ Nederlands en rekenen op hbo en wo.”

De kenniseconomie werd de heilige graal, met verheerlijking van het hbo. De route vmbo-mbo gold voortaan als mislukking

PM: „In 1999 werd in Bologna het BaMa-stelsel (bachelor-master) afgesproken. In het hoger onderwijs werd de mastertitel geïntroduceerd. Deze titel is gejat van het beroepsonderwijs. In het gildenonderwijs – de bakkers, de schoenmakers – bestond de meester-gezel-relatie in de opleiding. Was je klaar, dan werd je meester. Ik vind dat het hoger onderwijs de mastertitel moet teruggegeven aan de school waar deze thuishoort… het mbo.”

JK: „In plaats van meer titels kunnen we ook toewerken naar minder. Van oudsher werden ‘academische’ titels verstrekt aan hen die zich toeleggen op de meer abstractere zaken des levens: filosofie, theologie en wiskunde bijvoorbeeld. Met de toekenning van titels aan hbo’ers is daarmee gebroken. Onterecht. Zeker gezien de schoolse en praktijkgerichte opleiding van zowel hbo als mbo. Terugkeer naar de gildenstructuur is inderdaad een mooi alternatief.”

Aan de kenniseconomie (‘niet stoppen met leren tot je een titel hebt’) zijn we dus ambachtslieden verloren: kinderen die beter met hun handen zijn maar vanwege de maatschappelijke druk (‘doe eerst havo, mijd het mbo’) toch voor een graad in het hoger onderwijs gingen. Zou het helpen als we lager en hoger opgeleiden voortaan aanduiden als praktisch en theoretisch opgeleiden?

PM: „Hoog en laag zijn verkeerde begrippen. Theoretisch en praktisch is ook vreemd. Een arts is ook een ‘vakman’. Maak liever helemaal geen onderscheid. Het gaat om goed opgeleid.”

JK: „Hoog- en laagopgeleid is een reflectie van de oude standenmaatschappij, waar opleiding en sociaal-economische positie hand in hand gingen. Die maatschappij bestaat niet meer. In die zin zou de terminologie toe kunnen zijn aan een revisie. Echter, er bestaan natuurlijk wel degelijk verschillen tussen een opleiding toegepaste natuurkunde aan de TU Delft en een opleiding tot taxichauffeur. Ook dat wordt uitgedrukt met de termen hoog en laag. In die zin is de scheiding ‘hoog- en laagopgeleid’ nog steeds van toepassing.”

    • Steven de Jong