Opinie

    • Michel Krielaars

Het ene moment lach je, het andere moment word je gearresteerd

Aan boord van de ‘Ocean Majesty’, het schip dat hem deze dagen samen met 430 NRC-lezers langs de Balkan voert, leest Michel Krielaars over hoe subtiel een dictatuur kan werken.

De waarheid over de dictatuur van Enver Hoxha ligt in een tot museum verbouwde bunker naast het Albanese ministerie van Binnenlandse Zaken in Tirana. Ik dool door de onderaardse gangen en kamers en sta versteld van de wreedheid van het communistische regime. Behalve de door de geheime politie, de Sigurimi, gehanteerde martelwerktuigen, maken vooral de lijsten met de namen van de vijftigduizend vervolgde Albanezen indruk. Van hen zijn er tussen 1944 en 1991, het jaar waarin het regime ten val kwam, zesduizend geëxecuteerd. Zeventienduizend zaten in concentratiekampen. Allemaal in naam van de socialistische heilsleer.

Bij de uitgang van de bunker is in grote letters een zin van Primo Levi te lezen: ‘Iedereen die het verleden vergeet is veroordeeld het opnieuw te beleven.’ Alsof het niet vaak genoeg herhaald kan worden in een land dat nog altijd aan het bijkomen is van 37 jaar communistische repressie en zijn best doet om een EU-waardige democratie te zijn.

Aan boord van de ‘Ocean Majesty’, het schip dat me deze dagen samen met 430 NRC-lezers langs de Balkan voert, lees ik Ismail Kadare’s roman Het reisverbod (2009), die laat zien hoe subtiel een dictatuur kan werken. Het basisrecept is natuurlijk angst. Kadare (1936) laat zijn hoofdpersoon Rudian Stefa, een toneelschrijver wiens nieuwe stuk bij de artistieke raad van de Partij ter beoordeling ligt, erover mijmeren hoe het is om in de bioscoop naast een schaterlachende man te zitten, die ineens handboeien tevoorschijn haalt en die om je polsen slaat. Zo ging het, zo goed moest je op je woorden passen. Meestal wist je niet eens wat je verkeerd had gedaan als je werd gearresteerd. De politieke en culturele elite, tot de premier aan toe, werd dag en nacht afgeluisterd en bespioneerd. Zo blijkt zelfs Rudians psychiater een informant van de Sigurimi te zijn.

Zoals wel vaker bij Kadare valt me in Het reisverbod op hoezeer de bevolking berust in die dictatuur. Alsof iedereen zich er slechts met lichte tegenzin aan overgeeft. Dat geldt ook voor de uitvoerders van de terreur, zoals de onderzoeksrechter, die Rudian voor een kort verhoor uitnodigt, maar die later in het boek ter informele voortzetting van dat verhoor met de toneelschrijver gaat theedrinken in een café – waar overigens alles door de Sigurimi wordt afgeluisterd. De dictatuur behoort tot het dagelijks leven en lijkt iets te zijn, dat je maar hebt te accepteren. En als je pech hebt, dan kun je niet anders dan gelaten je ondergang ondergaan.

Een schrijver als Rudian, in wie je Kadare zelf kunt zien, was relatief veilig. Als kunstenaar is hij blijkbaar ongevaarlijk voor het regime. Terwijl een officier of een trouwe communist voor de geringste opmerking over Stalin, over het verbod op religie of over het politbureau in de gevangenis of voor het vuurpeloton kon belanden.

Voor Rudian geldt ook nog eens dat de dictator een zwak voor schrijvers heeft. ‘Wat voor kuren die schrijvers ook hebben, ik bescherm ze’, zegt de dictator op een gegeven moment tegen zijn hielenlikkende ondergeschikten. Precies om die reden kon Kadare in het Albanië van Hoxha zijn boeken schrijven, al gingen die tot 1991 altijd over het Ottomaanse Rijk, dat voor hem de moeder aller dictaturen was.

    • Michel Krielaars