Illustratie Cliff van Thillo

Ouders zijn nodig, maar niet beslissend

Erfelijkheid en omgeving Gedragsgeneticus Robert Plomin zoekt al 40 jaar naar de invloed van genen en opvoeding op het gedrag van tweelingen. En hij ziet: DNA bepaalt wie we zijn.

Of ik kinderen heb, vraagt Robert Plomin me zodra we elkaar de hand schudden op het hoofdkantoor van Penguin Books in Londen. „Eerst nog een geschikte partner vinden...”, antwoord ik vertwijfeld.

Hij lacht. „Veel ouders zijn geschokt door mijn boek. Vandaar dat ik benieuwd was.” Uit zijn tas pakt hij het eerste exemplaar van dat boek, Blueprint. Hij kreeg het zojuist van zijn uitgever. Hij bladert erdoorheen. „Kijk, over deze uitspraak struikelen ze allemaal. Parents matter, but don’t make a difference.”

Plomin onderzoekt al ruim veertig jaar de overerving van onder andere intelligentie, sociaal gedrag en psychische aandoeningen, met behulp van tweelingstudies. Tweelingen zijn ideaal om de invloed van genen en omgeving te bestuderen. Ze groeien samen op, of niet. En ze zijn genetisch identiek (eeneiig), of niet (twee-eiig). Daar valt aan te meten en rekenen. „DNA bepaalt wie we zijn” is de centrale boodschap in Blueprint. Plomin: „Of je nu lijdt aan depressies, verslaafd bent aan roken of een voorliefde hebt voor lezen: het zit allemaal in je genen.”

En dus hebben onze ouders geen invloed op wie we worden?

„Behalve dan het feit dat we hun genen hebben geërfd. En natuurlijk zijn ouders alsnog van belang. Door hun kinderen te steunen, door ze te stimuleren in hun ontwikkeling. Door ze voor te lezen, door hun zelfvertrouwen te vergroten. Maar kinderen zijn geen hoopjes klei die je kunt boetseren. Als we geadopteerd zouden worden, zouden we in essentie dezelfde persoon zijn. Toen ik in de jaren zeventig begon, leek het erop dat een eigenschap als vriendelijkheid nauwelijks genetisch bepaald was. Dat vond ik mooi, want dat betekende dat je je kinderen daadwerkelijk zou kunnen leren om vriendelijk te zijn. Maar inmiddels blijkt het net zo erfelijk te zijn als de rest.”

De term ‘erfelijk’ blijft verwarrend. Zo verwarrend dat we hem niet moeten gebruiken, vinden critici.

„Ja, genetici bedoelen ermee: de mate waarin je verschillen tussen individuen kunt verklaren aan de hand van DNA-verschillen. Terwijl de meeste mensen denken: erfelijkheid is datgene wat je doorgeeft aan je nageslacht. Maar dat schizofrenie voor 50 procent erfelijk bepaald is, betekent niet dat je kinderen 50 procent kans hebben om schizofreen te worden. Dat lichaamslengte voor 80 procent erfelijk is, betekent niet dat je die lengte voor 80 procent aan je genen dankt. Het betekent alleen dat dát percentage van de verschillen tussen mensen op dat gebied kan worden toegeschreven aan het DNA. De rest hangt samen met omgevingsfactoren, maar dat de term verwarrend is, betekent niet dat we hem niet moeten gebruiken, of er geen onderzoek naar moeten doen. Al onze eigenschappen zijn erfelijk bepaald, dus het is een belangrijk onderwerp.”

Als alles deels erfelijk bepaald is en deels door de omgeving, waarom doen we er nog onderzoek naar?

„Ik ben het ermee eens dat we niet meer van elke mogelijke eigenschap hoeven te onderzoeken of die erfelijk is. Onder studenten is het een spelletje: probeer een eigenschap te bedenken waarvan je kunt bewijzen dat die erfelijk is. Maar ik zeg altijd: het zou veel indrukwekkender zijn als je een eigenschap vond die níet erfelijk was. Tafelmanieren, persoonlijke hygiëne, een voorkeur voor mosterd: overal zijn genen voor gevonden die van invloed zijn.”

Toch lijkt het bestaan van een specifiek mosterdgen me sterk.

„Dat klopt, er is geen ‘mosterdgen’. Elk gen is sterk pleotropisch, wat betekent dat het meer dan één eigenschap beïnvloedt. Bij mosterdliefhebbers lijkt het er bijvoorbeeld op dat er een gen actief is dat gevoelig is voor scherpe smaken, maar ook voor avontuur – het zou kunnen betekenen dat die mensen dus houden van spannende sensaties, bijvoorbeeld het eten van pittig voedsel.

„Voor vrijwel alle belangrijke eigenschappen, zoals intelligentie of psychische aandoeningen, is er sowieso niet één specifiek gen aanwezig. Het gaat om honderden, duizenden genen. Ons hele brein, ons hele lijf barst van de ingewikkelde pathways. Het zijn geen simpele modules die je zomaar van elkaar kunt scheiden. Daarom moet je ook heel goed weten wat je doet voor je aan genen gaat sleutelen. Als je één ongewenste eigenschap uitschakelt, worden gewenste eigenschappen daardoor misschien ook beïnvloed.”

U onderzocht decennialang eeneiige tweelingen om te achterhalen hoe groot de erfelijkheid per eigenschap is. Maar hoe kun je volledig de invloed van de omgeving elimineren?

„We gaan er bij tweelingonderzoek vanuit dat zowel eeneiige tweelingen als twee-eiige tweelingen opgroeien in dezelfde omgeving als hun tweelingbroer of -zus. Doordat twee-eiige tweelingen in tegenstelling tot eeneiige tweelingen níet hetzelfde DNA hebben, zou je verschillen tussen hen dus kunnen toewijzen aan verschillen in het DNA.”

Om die omgeving echt gelijk te houden zou je uitkomen bij een onethisch experiment, waarbij je iedereen in een kooi stopt en hetzelfde te eten geeft…

„Of je kunt kijken naar tweelingen die juist in volkomen verschillende omgevingen opgroeiden. Denk aan de tweelingbroers die als baby werden gescheiden van elkaar, waarna de ene opgroeide in Duitsland en lid was van de Hitlerjugend, terwijl de andere opgroeide in een kibboets in Israël. Er zijn te weinig van dat soort gescheiden tweelingen om grootschalig onderzoek te doen, maar anekdotisch bewijs voor de overeenkomsten tussen zulke tweelingen is er wel. Wat sowieso opvalt: eeneiige tweelingen gaan gedurende hun leven steeds meer op elkaar lijken, terwijl ze bij hun geboorte vaak nog erg verschillen, bijvoorbeeld qua grootte en gewicht. Bij twee-eiige tweelingen is dat net andersom.”

U hebt ook onderzoek gedaan naar polygenic scores. Wat zijn dat precies?

„Daarnet zei ik al dat de invloed van afzonderlijke genen veelal gering is. Om de erfelijkheid van eigenschappen te bepalen, ben je op zoek naar de combinatie van genen. Dat zijn die polygenic scores: een optelsom van de effecten van honderden tot duizenden individuele DNA-verschillen, waarmee je bijvoorbeeld psychische aandoeningen kunt verklaren.”

Psychische stoornissen bestaan niet, zegt u in uw boek.

„Niemand wordt op een dag wakker als alcoholist of schizofreniepatiënt. Alles is een continuüm, we zijn allemaal een beetje schizofreen, depressief en autistisch. In die zin kun je beter spreken over een spectrum dan over een stoornis. Dat zie je ook aan de hand van de polygenic scores: alles is normaal verdeeld, er is geen breaking point, geen knikje in de grafiek dat je kunt aanwijzen om te zeggen: kijk, daarboven heeft iedereen een psychische stoornis en daaronder niet. Er zijn honderden genen die ons risico op schizofrenie verhogen. Hopelijk maakt dat besef mensen toleranter: er is geen wij versus zij.”

Hoe behandel je iemand als er geen stoornissen meer zijn?

„Therapeuten denken toch al niet in zulke zwart-wit-termen. Zij behandelen een persoon, geen stoornis. Door te weten dat iemand bijvoorbeeld een aangeboren gevoeligheid voor depressie heeft, kun je diegene helpen om daar zo goed mogelijk mee om te gaan. Cognitieve gedragstherapie kan daarbij helpen. Zodra mensen zichzelf beter leren begrijpen, scheelt dat vaak al een hoop.”

Door uw eigen polygenic score kwam u er achter dat u genetisch gezien een verhoogd risico op schizofrenie hebt. Schrok u daarvan?

„Ik ben gelukkig allang de gangbare leeftijd gepasseerd waarop schizofrenie zich openbaart – tussen de 20 en 40 jaar. En mijn zoon ook. Dat je een hoge score hebt voor een bepaalde eigenschap, betekent niet per se dat je die eigenschap ook zal ontwikkelen. Je kunt geen alcoholist zijn zonder ooit een druppel alcohol te drinken, maar je kunt dan alsnog wel een hoge polygenic score voor alcoholisme hebben. Als jij op de universiteit op feestjes komt waar de drank rijkelijk vloeit, en je bent daar vatbaar voor, dan ontwikkel je sneller een alcoholprobleem dan wanneer je nooit in de verleiding wordt gebracht.”

Als je je kwetsbaarheid kent, ga je je dan niet juist fatalistisch opstellen? Dat je weet: ik heb een hoge polygenic score voor alcoholisme, dus laat ik de wijn maar vast ontkurken?

„Dat kan ik me niet voorstellen. Juist doordat je wéét dat je kwetsbaar bent op dat gebied, zul je vermoedelijk beter oppassen. Dat geldt voor mij bijvoorbeeld met overgewicht: ik weet dat ik aanleg heb om aan te komen, dus ik houd mijn BMI extra in de gaten. En een hoge score kan ook juist betekenen dat je éxtra voorzichtig doet. Als je beide ouders alcoholist waren, en je zag hoe het hun leven verwoestte, dan zul je zelf wellicht extra voorzichtig doen. Dat je accepteert dat je ergens kwetsbaar voor bent, hoeft niet te betekenen dat je je er aan overgeeft. Als je weet dat je een hoge polygenic score hebt voor schizofrenie ga je toch ook niet expres cannabis roken omdat cannabisgebruik en schizofrenie vaak hand in hand gaan?”

Hoe onderscheid je oorzaak en gevolg? Hoe weet je of cannabisgebruik tot schizofrenie leidt, of dat het juist andersom is – dat schizofreniepatiënten meer behoefte hebben aan cannabis als zelfmedicatie?

„Dat is inderdaad lastig. Je kunt geen experiment doen waarbij je kinderen in twee groepen verdeelt, en de ene groep tien jaar lang cannabis geeft en de andere niet. Maar opvallend is wel dat veel mensen met schizofrenie roken. Zoveel zelfs, dat veel psychiatrische inrichtingen in het Verenigd Koninkrijk nu e-sigaretten toestaan als zelfmedicatie.”

Polygenic scores zijn er niet alleen voor psychische aandoeningen. Mensen kunnen er onder andere ook mee achterhalen of ze een groot risico lopen om dement te worden.

„En de vraag is of je dat wilt natuurlijk. Zou jij het willen weten als je een verhoogde kans hebt op dementie? Ikzelf wel, al is het maar om de juiste voorzorgsmaatregelen te kunnen treffen. Maar het zou me hopelijk ook helpen om extra bewust te genieten van de tijd dat ik gezond ben. Zulke afwegingen zal iedereen voor zichzelf moeten maken.”

Toch kan ik ook mogelijke bezwaren bedenken van polygenic scores: mensen die er dubieuze vragen mee willen beantwoorden, of verlangen naar een designerbaby…

„Dat is het lastige: mensen kunnen gaan zoeken naar verbanden die er niet zijn, bij gevoelige onderwerpen als criminaliteit en intelligentie. Stel dat je een polygenic score vindt die tussen etnische groepen verschilt, dan hoeft dat absoluut niet te betekenen dat de ene groep slimmer of crimineler is dan de andere. Het zegt niets over de relatie tussen ras en intelligentie. Bovendien: tot nu toe zijn die scores alleen berekend bij westerse proefpersonen, je kunt ze niet klakkeloos extrapoleren naar mensen wereldwijd. Zo zijn er wel meer potentiële struikelblokken. Wat als iemand door een verzekering wordt uitgesloten vanwege een hoge polygenic score voor een bepaalde aandoening, of wat als diegene daar juist misbruik van maakt door zich voor een torenhoog bedrag te laten verzekeren? Natuurlijk, er zijn ingewikkelde maatschappelijke vragen te stellen. Maar ik stel me vooral graag op als cheerleader van nieuwe wetenschappelijke doorbraken. En wat die designerbabies betreft: mijn zoon en zijn vrouw zijn net door een hele IVF-procedure gegaan en het is een zwaar traject – ik denk echt niet dat veel mensen dat voor de lol zouden doen. It’s not the nicest way to make babies.”

En wat als de scores een rol gaan spelen bij partnerkeuze?

„Het zou best kunnen dat datingwebsites in de toekomst polygenic scores toevoegen, bijvoorbeeld op het gebied van geestelijke gezondheid, intelligentie, een goed gevoel voor humor... Of dat gelukkigere stelletjes oplevert is nog maar de vraag, al heeft inzicht in je eigen genen en die van je partner zeker z’n voordelen. Mensen denken vaak dat tender, loving care voldoende is om een kind groot te brengen, maar liefde overwint niet alles.

„Overigens is er ook nog een hoop onduidelijk over die polygenic scores. We weten bijvoorbeeld niet wat een heel láge polygenic score inhoudt. Stel: ik scoor heel laag voor ‘bipolaire stoornis’. Betekent dat dan dat ik gewoon weinig aanleg heb voor manies en depressies, of betekent dat dat ik een vlak en emotieloos persoon ben? Zulke dingen moeten we nog uitzoeken.”

    • Gemma Venhuizen