Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Kansberekening

Gisteren kwam ik voor de zestiende of zeventiende keer sinds we toevallig op dezelfde dag, bij dezelfde opticien, dezelfde bril aanschaften de dorpsgenoot tegen die er net als ik al drie maanden bijloopt alsof het 1983 is en hij iets doet in de porno-industrie. Hij woont in dezelfde straat en heeft de gewoonte ontwikkeld om bij een ontmoeting te roepen dat we dezelfde brillen hebben. Hij betrekt daar ook omstanders bij.

„Kijk hij heb dezelfde...”

Daarna tegen mij: „Hoe groot is de kans dat je en in hetzelfde dorp woont en dezelfde bril hebt en tegelijk in de Vomar bent?”

Ik onderging dat altijd lijdzaam.

Beetje schamper lachen, dat werk.

Zijn humor werd er niet beter op.

„Daar heb je m’n brillenmaatje, neuh niet m’n billenmaatje, brillenmaatje, kijk maar, we hebben dezelfde. Staat mij beter dan hem, haha.”

Tegen mij: „Wat is de kans dat je dezelfde bril hebt en dat je mekaar dan ziet bij het schoolplein?”

Dinsdag na de boekpresentatie van Wim Kieft: De terugkeer wandelde ik met een gesigneerd boek in de hand naar Amsterdam CS, toen ik hem ter hoogte van gokhal Carrousel trof. Zijn enthousiasme was groot. Logisch wel, dacht ik later, want hoe groot is de kans dat je daar iemand uit hetzelfde dorp met dezelfde bril treft die ook op weg is naar het station? Toch was ik het liefst met een hele grote boog om hem gelopen, maar dat straalde ik dan toch niet uit. Ik kreeg nog net geen knuffel.

Hij zei: „Ik zag ineens die bril en ik dacht: daar zul je hem ook weer hebben. Ga je ook met de trein?” Ik dacht: dat dan toch niet, ik ga niet met jou in de sprinter richting Uitgeest met alle twee dezelfde bril tegenover elkaar zitten en dan de hele tijd praten over hoe groot de kans is dat je dezelfde bril hebt, in dezelfde straat woont en met elkaar in de trein zit.

Dus ik zei: „Nee, ik ga, de andere kant op. Naar Arnhem.”

Lang verhaal kort: we namen afscheid, ik dronk ergens een espresso en in de sprinter van 19.43 uur zag ik hem alsnog zitten.

Belachelijke reflex: ik stopte mijn bril in mijn jaszak en ging een stukje verderop zitten. Ik kon het niet goed meer zien, maar ik meende hem te zien loeren. In dat hoofd was het waarschijnlijk kortsluiting, want hoe groot is de kans dat je dezelfde bril hebt, bij elkaar in de straat woont, elkaar tegenkomt in de sprinter richting Uitgeest en dat een van de twee dan zijn bril niet op heeft?

Best groot weet ik inmiddels, best groot.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.

    • Marcel van Roosmalen