„We zijn doorgeschoten in allerlei vage termen die het zicht op de straf hebben vertroebeld.”

Foto Merlijn Doomernik

‘Het strafrecht is niet bedoeld als maatschappelijk werk’

Schuld en boete Rinus Otte was 21 jaar strafrechter. Hij schreef een boek over gevangenisstraf, vergelding en barmhartigheid. „Te veel luisteren naar emoties ondermijnt de rechtspraak.”

Hij geldt in de wereld van de rechtspraak als een eigenheimer, als een man die met zijn opvattingen tegen de heersende moraal in durft te gaan. In 2010 publiceerde hij De nieuwe kleren van de rechter, een kritische blik op hoe ons rechtssysteem dreigt te bezwijken onder bureaucratie en organisatorische problemen. Nu is er Een kleine biografie van het straffen, waarin Rinus Otte (57) straf en boetedoening analyseert. Want schuld heet geen schuld meer, maar verantwoordelijkheid, en straf noemen we interventie. Verhullende begrippen, oordeelt Otte. En hij weet waar hij het over heeft.

Otte was 21 jaar strafrechter. Twee jaar geleden stapte hij over naar het Openbaar Ministerie, waar hij sindsdien lid van het college van procureurs-generaal is. Hoe mooi hij het rechterschap ook vond, de verzadiging was bereikt. „Tijdens de zitting was ik al bezig met de verwerping van verweren die mogelijk zouden komen. Dat maakte dat de inhoudelijke prikkel langzaamaan verdween. Je bestudeert je dossiers, gaat naar de zittingszaal en de raadkamer, en vervolgens ga je schrijven aan de uitspraak. En inmiddels ben je alweer bezig met de volgende zaak. Vroeger rouleerden rechters, van het strafrecht naar familierecht of bestuursrecht. Maar die onderdelen van het recht beheers ik niet. Bij het OM heb ik van alles in mijn portefeuille; van verkeersbeleid tot euthanasie.”

Lees ook: Het OM wil nu zélf grenzen euthanasie onderzoeken

Staan rechters inderdaad veel minder in de wereld dan ze zelf altijd beweren?

„Sinds decennia krijgen rechters het advies om er vooral veel dingen naast te doen; vrijwilligerswerk, commissies, besturen. Dat hebben veel rechters ook gedaan. Zelf ben ik sinds 1999 hoogleraar. Maar tegenwoordig kan een nevenfunctie heel makkelijk tégen je gebruikt worden. Kijk naar die vreemdelingenkamer die een asielzoeker een lagere straf oplegde omdat hij anders uitgezet zou worden. Prompt zocht de pers uit welke rechters dat waren. Eén bleek actief te zijn geweest in de sociale advocatuur. Haar onafhankelijkheid werd direct in twijfel getrokken. Dat maakt dat veel rechters en officieren van justitie huiverig zijn om er iets naast te doen. Terwijl dat juist zo belangrijk is om fris te blijven.”

Uw boek is een soort loflied op de schuld, een pleidooi om schuld en straf te herwaarderen. Was dat nodig?

„Dat vind ik wel. Sinds dertig jaar houdt het mij enorm bezig dat wat we vroeger ‘schuld en boete’ noemden nu een andere betekenis heeft gekregen. We hebben het liever over ‘betekenisvol interveniëren’ dan over ‘straffen’. Zo’n interventie wordt vaak gezien als alternatief voor de cel. We zeggen tegen een verdachte: ‘Er is iets mis met u. U heeft een beroerde jeugd gehad, u heeft een stoornis. Dus gaan we u helpen. En als u niet inziet hoezeer u hulp nodig heeft is er mogelijk nog méér mis met u en verplichten we u om u te laten opnemen in een kliniek.’ Maar als we nou ’ns uitgaan van een klassiek uitgangspunt: iemand doet iets verkeerd. Dat noemen we ‘kwaad’. En op dat kwaad moet de overheid reageren. Waarom noemen we dat niet gewoon ‘straf’? We zijn doorgeschoten in allerlei vage termen die het zicht op de straf hebben vertroebeld.”

Is dat niet vooral een taalkundige kwestie?

„Nee, het is méér. Sinds de jaren zestig hebben juristen het gevoel dat ze verdachten moeten helpen door het strafrecht als betekenisvol instrument in te zetten. Bijna als een soort maatschappelijk werk. Daar is het strafrecht niet voor bedoeld.”

Dus tbs is volgens u een ondeugdelijke maatregel?

„Ik ben heel positief over tbs voor de zware gevallen, én als er daadwerkelijk sprake is van een stoornis. Maar als je iemand te snel een stoornis toedicht – ‘dit is zulk gestoord gedrag, hij moet wel gek zijn’ – dan ga je er bij voorbaat van uit dat iemands vrije wil gekneusd is. We spreken hem niet aan op het kwaad dat hij heeft aangericht.”

U schrijft dat er steeds vaker een stoornis bij het misdrijf wordt gezocht.

„De gedragskunde stelt opmerkelijk veel sneller een stoornis vast dan vroeger. Soms met bijzonder fraaie formuleringen. Ik kreeg ooit over een verdachte als diagnose te horen: ‘Betrokkene lijdt aan een ijl, vervluchtigd en niet verworteld zelfbeeld.’ Wat moet ik mij daar in vredesnaam bij voorstellen?”

Is de effectiviteit van tbs door de jaren heen veranderd?

„De tbs duurde vroeger minstens acht tot elf jaar. Dat werd te kostbaar. Bovendien zijn mensen dan te lang weg uit de maatschappij. Ze moeten al eerder met vrijheden kunnen oefenen. Daardoor is de tbs-duur verkort, tot pakweg vijf tot acht jaar. Tbs’ers gaan ook eerder met verlof; vaak al na twee, drie jaar. Behandelaars kiezen ook meer voor conditioneren dan voor behandelen. Mensen worden getraind om de zwakke plekken in hun gedrag te mijden.”

Dus de pedoseksueel wordt geleerd dat-ie het schoolplein moet mijden?

„Dat is een goed voorbeeld. Je pakt de wortel van het probleem daarmee niet aan. Vroeger dachten we daar anders over.”

Wat betekent dat voor de rechter?

„Dat hij moet beseffen dat hij te maken heeft met tijdgebonden opvattingen. De rechter moet het hoofd koel houden en niet ogenblikkelijk met de tijdgeest meebewegen.”

Maar de rechter beweegt toch óók mee met de samenleving?

„Jawel, maar langzamer. Rechters zijn volgend, net als de wet zelf. In Griekse tragedies heb je altijd een koor, dat reflecteert op wat er op het podium plaatsvindt. Het koor is de barometer van wat het publiek vindt. Als je als rechter de slachtoffers, de nabestaanden en het publiek in het algemeen als koor ziet, moet je wel naar het koor luisteren, maar tegelijk beseffen dat je de wet en het beleid op dat moment niet kunt veranderen. Maar als het koor blijft roepen, zie je dat het recht zich aanpast. Rechters in Nederland zijn de afgelopen dertig jaar veel zwaarder gaan straffen. In 1990 waren er drie levenslang gestraften, nu zijn het er veertig. Terwijl de samenleving niet wezenlijk onveiliger is geworden. Dus dat koor heeft wel degelijk invloed.”

Gevangenisstraf is een betrekkelijk nieuw fenomeen, schrijft u in uw boek.

„Vroeger bestónd gevangenisstraf helemaal niet. Je werd vastgehouden totdat je gevonnist werd. Vervolgens werd je gedood, gebrandmerkt, of ging je hand eraf. Pas in de negentiende eeuw kwam de vrijheidsstraf op. In de victoriaanse tijd ontstond de gedachte dat een verdachte tot inkeer moest komen. Liefst met een bijbel op de cel. Toen dat toch niet bleek te werken kwamen de behandelprogramma’s. We vergeten tegenwoordig vaak dat vergelding een essentieel onderdeel van straf is. Of het nou gaat om een geldboete van 50 euro of om levenslang, het is allemaal vergelding. Als iemand opnieuw in de fout gaat, zeggen: ‘verrek, die straf heeft dus niet geholpen’ vind ik ráár, omdat het eerdere misdrijf wel degelijk vergolden is. Vergelijk het met de liefde: als iemand een blauwtje heeft gelopen, zeg je dan: ‘het is jou niet gelukt, dus je moet verder maar vrijgezel blijven’?”

„We zijn doorgeschoten in allerlei vage termen die het zicht op de straf hebben vertroebeld”

Is dat dan hetzelfde als opnieuw iemand vermoorden?

„Nee, zeker niet. Maar opnieuw straffen is iets dat er gewoon bij kan horen. Wij definiëren onze strafoplegging verkeerd. Ik zie veel liever dat we vaker gevangenisstraf opleggen. Al moet je die dan wel betekenisvoller invullen. Met alleen behandelen ontneem je mensen hun eigen verantwoordelijkheid. Ik geloof daarom meer in het straffen van mensen die verantwoordelijk zijn voor het kwaad dat ze hebben aangericht.”

Hoe moeilijk is het voor een rechter om zich niet door emoties uit de samenleving te laten beïnvloeden?

„Moeilijk. Je moet je eigen kader wel opzij kunnen zetten. Sterker nog: als één rechter eigenlijk voor vrijspraak is, maar de andere twee rechters zijn voor een veroordeling, dan hoort hij zo collegiaal te kunnen denken dat hij de overweging kan schrijven waar die veroordeling op stoelt. Dát is goed rechterschap.”

Gaat dat in de praktijk ook zo?

„Ik heb in redelijk wat zaken afstand gedaan van mijn eigen juridische opvattingen. Want als rechter zit je er niet als persóón. Het zorgelijke is dat we steeds meer naar de amerikanisering van het recht gaan. De persoon van de rechter komt steeds meer onder een vergrootglas te liggen. Kijk naar de zaak-Wabeke [de rechter die zich terugtrok uit een rechtszaak tegen de tabaksindustrie omdat hij tijdens een privé-etentje zou hebben gezegd dat roken ieders eigen verantwoordelijkheid is]. Het heeft mij enorm verbaasd dat die persoonlijke benadering in die zaak zo’n rol speelde. Blijkbaar vertrouw je niet op ’s mans integriteit als rechter. Dat is ronduit zorgelijk. Willen we de rechter dan terugdringen naar de geïsoleerde kloostercel van vroeger? Als ik in zijn schoenen had gestaan, had ik mij zeker niet teruggetrokken. Als je te veel naar emoties luistert, ondermijnt dat de rechtspraak.”

U bedoelt dat uw privémening nooit de doorslag gaf?

„Die is in elk geval niet leidend. Ik heb destijds het hoger beroep van Lucia de Berk behandeld. In die zaak oordeelde de Hoge Raad dat het eerste gerechtshof geen combinatie van levenslang en tbs mocht opleggen. In die zaak mochten wij alleen kijken naar wat een passende straf was voor zeven bewezen verklaarde moorden, en niet naar de schuldvraag, wat ik spijtig vond. Wij hebben toen levenslang opgelegd.”

Terwijl u daarmee iemand schuldig verklaarde die onschuldig was.

„Omdat de Hoge Raad ons niet toestond iets te vinden van die schuldigverklaring deden onze twijfels over haar schuld er niet meer toe. De behoefte van het gerechtshof om zelf over de schuldvraag te mogen beslissen is ook in het arrest beland. Maar je moet binnen het systeem blijven.”

Ook als dat systeem tot onrechtvaardigheid leidt?

„Zodra je de regels gaat veranderen, ontstaat willekeur. Er is mij vaak verweten dat ik een systeemdenker ben die eerder hecht aan het systeem dan aan mijn eigen juridische oordeel. Ik denk dat dat wáár is. Persoonlijke opvattingen en emoties horen niet te prevaleren boven het systeem. Ik herinner me nog dat het gerechtshof een keer moest adviseren over een gratieverzoek. Een collega schreef: ‘In het licht van de naderende kerstdagen en door barmhartigheid bewogen meen ik dat er een positief advies moet komen’. Waarop de tweede rechter op 5 januari schreef: ‘Helaas, de kerstdagen zijn alweer voorbij, er zijn geen gronden in de wet die nopen tot een positief advies’. Ik was het geheel met hem eens.”

Het recht is niet het domein van het hart?

„Zeker niet. We hebben voor dit systeem gekozen omdat we willekeur willen voorkomen. Het gaat om het hoofd, en om de uitleg van het wetboek.”

Dus goedertierenheid, barmhartigheid en vergeving horen niet thuis in de rechtspraak?

„Dát beweer ik niet. Stel dat een verdachte zegt: ‘Ik ben stervende’, en de rechter zegt: ‘Niks mee te maken… levenslang’. Dan zal de Hoge Raad zonder enige twijfel casseren en de zaak terugverwijzen naar een ander hof. Ik ken collega’s die zeggen: laat hem in vrijheid sterven. Ikzelf zou zeggen: hij kan ook sterven in de gevangenis. Mits we die detentie humaan invullen.”

U vindt dat er in de gevangenis meer aan verdachten gewerkt moet worden?

„40 procent van de gevangenen is psychisch belast, spreekt de Nederlandse taal niet, maar kan na de straf niet worden uitgezet omdat ze de Nederlandse nationaliteit hebben. Dan snap ik echt niet waarom je ze in die tijd niet zou verplichten om Nederlands te leren. Je hebt als overheid een unieke kans: dan héb je iemand onder permanent toezicht, ga er dan ook mee aan de slag.”

Hangt het dan van je examen af of je terug mag in de samenleving?

„Dat zeg ik niet. Maar je moet er wel druk op zetten. Iemand zou in de gevangenis ook aan zichzelf kunnen werken.”

U moest als rechter ook oordelen in het hoger beroep van Michael P. De man had twee meisjes verkracht, was tot zestien jaar veroordeeld, maar kreeg in hoger beroep twaalf jaar cel. Uiteindelijk vermoordde hij Anne Faber. Vervolgens ontstond er grote verontwaardiging over dat vonnis. Kon u dat begrijpen?

„Op grond van het raadkamergeheim mag ik inhoudelijk niets over deze zaak zeggen. Maar ik wil wat kwijt over dingen die geschreven zijn. Zo werd er gezegd dat het een gerechtelijke dwaling was. Maar een gerechtelijke dwaling gaat nooit om de hoogte van de straf. Er was zestien jaar opgelegd, wij legden twaalf jaar op. De Hoge Raad heeft onze uitspraak ook bekrachtigd.”

Een belangrijk verwijt was dat u tbs had moeten opleggen.

„Ik heb samen met mijn collega’s het systeem toegepast zoals het systeem is. Voor tbs heb je een stoornis nodig. Daar waren geen rapporten over. Tbs opleggen zonder psychiatrische en psychologische rapporten is verboden. Het is wel mogelijk om tbs op te leggen als de verdachte niet meewerkt aan onderzoek door een psychiater en psycholoog, maar dan moeten er oudere rapporten zijn uit eerdere strafzaken. Die waren er niet, omdat hij niet eerder zo’n misdrijf had gepleegd. Tbs was ook niet geëist door het Openbaar Ministerie. Je kunt alleen twisten over of het toch zestien jaar had moeten zijn.”

Lees ook: Het dilemma van de tbs-weigeraars

Dit is een juridische redenering. U bent zelf ook vader. Wat vindt vader Otte van deze zaak?

„Dit is natuurlijk verschrikkelijk. In zo’n situatie verdwijnt alle ratio. Dan is ratio zelfs misplaatst. Maar als rechter mag ik die emoties niet laten meewegen en moet ik kijken naar wat andere rechters in het land in soortgelijke zaken hebben gedaan. Als je de oriëntatiepunten voor een twintigjarige jongen – een first offender bovendien – bekijkt, dan was dit een aannemelijke strafmaat. Maar ik snap heel goed dat vader Faber daar niks voor koopt.”

Sust die juridische redenering de onrust van vader Otte?

„Dat zijn twee circuits. De eerste keer dat je kinderen alleen naar school gaan, alleen door de stad fietsen, ben je als ouder als de dood: komen ze wel weer veilig thuis? Ik zeg zelf vaak: stuur je alsjeblieft even een appje als je er bent? Welke vader wordt niet verteerd door angst dat zijn kinderen iets overkomt? Dus dat verdriet komt ook bij mij enorm binnen.”

Vader Faber wilde met u in gesprek. Waarom hebt u dat niet gedaan?

„Omdat de uitnodiging tot dat gesprek kwam van twee journalisten van de Volkskrant. Die wilden bij het gesprek aanwezig zijn. Daar voelde ik helemaal niks voor. Ik ga niet communiceren via de krant.”

Zou u het alsnog overwegen, van man tot man?

„Nu niet meer. De zaak is te besmet geraakt. Hij heeft wel lang gesproken met de president van het gerechtshof. Wat me enorm raakt is de suggestie dat ík eigenlijk zijn dochter heb vermoord. Dat doet echt pijn. Ik kan me niet verdedigen. Bovendien hélpt er geen enkele verdediging. Wát ik ook zou zeggen tegen Annes vader, ik krijg dat nooit uitgelegd. Vanuit zijn verdriet is het nooit genoeg. En dat begrijp ik als vader heel goed.”

Een kleine biografie van het straffen verscheen bij Boom Juridisch.
    • Coen Verbraak