Opinie

    • Beatrice de Graaf

Herdenk het doorgaande geweld van na 1918

Column Beatrice de Graaf Honderd jaar geleden was de Eerste Wereldoorlog afgelopen. De herdenkingen gaan vooral over de vrede in West-Europese landen. Maar oorlog en vervolging gingen hard door aan de randen van Europa.

De Eerste Wereldoorlog is bijna voorbij. Tenminste in de herinnering. De komende weken staan er nog een aantal herdenkingsbijeenkomsten op touw voordat het historische herinneringscircus zich op gaat maken voor het volgende grote moment, het begin van de Tweede Wereldoorlog, volgend jaar 80 jaar geleden. Al die jubilea moeten onderstrepen, tot in de meest platgetreden clichés en postmoderne interpretaties , dat we inmiddels op ons continent Europa al meer dan zeventig jaar in vrede leven. Maar is dat echt zo? Is dat niet een enorme vertekening van perspectief?

Met dat jaartal van 1918 is namelijk wel wat aan de hand. Was de oorlog wel echt voorbij toen de strijdende partijen aankondigen op 11 november 1918 om 11 uur de wapens neer te leggen? Volgens de Duitse historicus Robert Gerwarth niet. In zijn verontrustende boek Die Besiegten van 2017 legt hij overtuigend uit dat 1918 misschien wel in het westen van Europa en in de Verenigde Staten een einde aan de oorlog kwam, maar dat de gewelddadigheden, moordpartijen en zelfs pogroms aan de randen van Europa en elders in de wereld gewoon doorgingen.

Want ten eerste duurde het na 1918 nog vijf jaar, tot 1923, tot de laatste vredesverdragen waren gesloten. Het Verdrag van Versailles dat de vredesvoorwaarden voor het strijdtoneel in Europa aan het overwonnen Duitsland dicteerde, kwam in juni 1919 tot stand. Het verdrag van Trianon dat Hongarije opdeelde in 1920 en dat van Lausanne dat de Grieks-Turkse oorlog beëindigde pas in 1923.

Ten tweede, zo demonstreert Gerwarth, leidde het uiteenvallen van de grote rijken van de 19e eeuw, Rusland het Habsburgse Rijk en het Osmaanse rijk, tot een serie aanhoudende gewelddadige conflicten en burgeroorlogen. Hij telt er 27 tussen 1917 en 1920. Overigens bracht het einde van de Eerste Wereldoorlog ook geen vrede in het Britse rijk; in de Ierse onafhankelijkheidsstrijd van 1919-1921 vielen meer dan 2.000 doden.

Maar het derde argument is Gerwarts meest omineuze: de frustratie over de geleden nederlaag en het gevoel door de gemeenschap van overwinnaars buitengesloten en vernederd te zijn, was koren op de molen van de vele demagogen en populisten die hiermee een aanzwellende schaar van volgelingen mobiliseerden. En dat deden ze door allerlei praktijken van geweld aan te moedigen. Hetzes tegen joden, communisten, ‘buitenlanders’, ‘kosmopolieten’ of simpelweg tegenstanders waren aan de orde van de dag. Daardoor hield het geweld na 1918 niet op, maar zwol het juist verder aan.

„Deze oorlog is niet het einde, maar het begin van een cyclus van geweld”, schreef de Duitse auteur Ernst Jünger in 1928. Hij schreef dat niet in angst en beven, maar in welhaast vreugdevolle anticipatie en verheerlijking van geweld, als een manier om de samenleving te ‘zuiveren’ van wat zwak en onmannelijk was.

Het is eigenlijk idioot dat in veel geschiedenisboeken (ook de academische) de jaren twintig als relatief stabiele periode, als de ‘roaring twenties’ worden neergezet. Wanneer we een mondiaal perspectief toepassen, zoals Gerwarth doet, en onze historische camera laten flitsen in Smyrna (Izmir), Fiume (Rijeka), of in Riga, dan verschijnen er schokkende beelden van belegeringen en massamoorden.

De Eerste Wereldoorlog in 1918 laten stoppen is net zo provinciaals als naïef. De oorlog ging door, zij het in andere vorm, onderhuids, als guerrillastrijd of als doorlopend proces van radicalisering en aanhoudende straatgevechten. In het Westen werd dit alleen niet waargenomen, weggepoetst uit het groepsportret van de liberale overwinnaars.

Die provinciaalse bijziendheid als het gaat om vrede is na honderd jaar nog niet verholpen. Terwijl hier de historische vrede wordt gevierd, woekeren net als in 1918 in de ring van landen en gebieden om Europa heen de onderhuidse of openlijke hetzes voort, tegen vluchtelingen en andersdenkenden. Terwijl in Nederland in 1918 de handel met Duitsland weer werd hervat, en men opgelucht de Belgische vluchtelingen naar huis zag terugkeren, sneuvelden er tussen de Baltische en Zwarte Zee duizenden joden. Meer dan een miljoen Grieken sloeg op de vlucht voor Turkse troepen en 400.000 Turken voor de Griekse. In Duitsland domineerden in veel steden de Freikorpsen het straatbeeld.

Gevoelens van vernedering en wraakzucht, geholpen door extreem nationalistische overtuigingen zorgden ervoor dat de vrede van 1918 op z’n hoogst een zeer plaatselijke, en uiteindelijk ook een zeer tijdelijke aangelegenheid was. En dat de scheidslijn tussen combattanten en noncombattanten vervaagde.

Terug naar 2018. Voor de overgrote meerderheid van de burgers in alle landen, ook van Nederland, is oorlog iets beangstigends en afschrikwekkends. Toch zijn er net als in 1918 genoeg extreme nationalisten en regionale potentaten die in geweld en het opjagen van minderheden en andersdenkenden een proces van zuivering en loutering zien, of een manier om stemmen te vangen. Het is dan ook net zo historisch correct als politiek noodzakelijk om bij elke vredesviering in 2018 ook het aanhoudende geweld in de ring van landen om Europa heen te herdenken. Het geweld van na 1918, maar ook dat van nu.

Beatrice de Graaf is hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen in Utrecht.
    • Beatrice de Graaf